direct naar inhoud van Artikel 6 Wonen
Plan: Carolus - De Herven
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002018-1301

Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in de vorm van woningen en bijzondere woonvoorzieningen al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroepsactiviteit;
  • b. woonzorgvoorziening ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling';
  • c. kinderopvang, buitenschoolse opvang en wijkcentrum ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling';
  • d. (gedeeltelijk) ondergrondse autostalling en bergingen ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage'
  • e. ontsluitingsweg voor woonverkeer ter plaatse van de aanduiding 'weg'.
  • f. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals verkeers-, parkeer- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen
  • a. De bestemmingsvlakken met de aanduiding 'gestapeld' mogen buiten de bouwvlakken niet worden bebouwd;
  • b. Parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gerealiseerd.
6.2.2 Hoofdbebouwing/Hoofdgebouw
  • a. Hoofdgebouwen dienen ten dienste van de bestemming, binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met inachtneming van bouwaanduidingen en maatvoeringen.
  • b. Voor gestapelde woningen (ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld') geldt een maximum bebouwingspercentage van 70% per bouwvlak. Bouwvlakken ter plaatse van de aanduidingen 'aaneengebouwd' en 'specifieke bouwaanduiding - 3' mogen voor 100% worden bebouwd, met inachtneming van de overige bepalingen in dit artikel. Bouwvlakken ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - 1' en 'specifieke bouwaanduiding - 2' mogen worden bebouwd conform de overige bepalingen onder 6.2.2 en 6.2.3.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' dienen de hoofdgebouwen aaneen gebouwd te worden;
  • d. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' dienen de hoofdgebouwen vrijstaand, halfvrijstaand of geschakeld gebouwd te worden;
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' dienen de hoofdgebouwen aaneengebouwd of geschakeld gebouwd te worden;
  • f. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' dienen de hoofdgebouwen halfvrijstaand of geschakeld gebouwd te worden;
  • g. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' dienen de hoofdgebouwen gestapeld gebouwd te worden;
  • h. De afstanden van vrijstaande, halfvrijstaande en geschakelde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen mogen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de afstand van vrijstaande hoofdgebouwen tot naastgelegen hoofdgebouwen niet minder mag bedragen dan 6 meter;
  • i. Met betrekking tot de hoogte van een gestapeld hoofdgebouw geldt:
    • 1. het aantal bouwlagen niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' is aangegeven;
    • 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte’ is aangegeven;
    • 3. in afwijking van het bepaalde onder 1 en 2 mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' het aantal bouwlagen over 50% van het bouwvlak met 3 bouwlagen worden verhoogd en mag de bouwhoogte met maximaal 9 meter worden verhoogd.
  • j. Met betrekking tot de hoogte van overige type hoofdgebouwen geldt:
    • 1. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' of 'maximale bouwhoogte' mag niet worden overschreden;
    • 2. de goothoogte ter plaatsen van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden;
    • 3. indien ter plekke van de aanduidingen 'aaneengebouwd' en 'specifieke bouwaanduiding - 3' de hoofdgebouwen worden gebouwd met een kap, bedragen de maximale goothoogte en maximale bouwhoogte respectievelijk 7 meter en 12 meter.
  • k. Het bepaalde onder punt i. geldt niet voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 25 m2 bedraagt;
    • 2. de hoogte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 4 meter bedraagt.
  • l. De voorgevels van woningen ter plaatse van de aanduidingen 'aaneengebouwd' en 'specifieke bouwaanduiding - 3' moeten in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd.
  • m. De voorgevels van woningen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - 1' en 'specifieke bouwaanduiding - 2', moeten in, dan wel maximaal 5 meter achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd.
  • n. De bouwdiepte van hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - 1' en 'specifieke bouwaanduiding - 2' mag maximaal 15 meter bedragen.
  • o. Ter plekke van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' zijn geen dakterrassen toegestaan.
6.2.3 Erfbebouwingsregeling

Op het erf mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen in de vorm van aan- of uitbouwen van het hoofdgebouw of in de vorm van vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd, ten dienste van de bestemming. Aan- en bijgebouwen zijn tevens mogelijk binnen de aangegeven bouwvlakken. Daarbij dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. met uitzondering van het hierna onder lid 6.2.3 onder b bepaalde mogen aan- of bijgebouwen uitsluitend worden opgericht achter het hoofdgebouw op het desbetreffende bouwperceel, alsook naast het hoofdgebouw mits minimaal 3 meter achter de voorgevel;
  • b. voor hoekpercelen geldt dat nieuwe bijgebouwen mogen worden gebouwd minimaal 3 meter achter de voorgevel en achter het verlengde van de naar de weg gekeerde zijgevel;
  • c. de onder lid 6.2.3 onder a en b omschreven grond mag niet meer dan 50% worden bebouwd;
  • d. het onbebouwd blijvende deel van het onder lid 6.2.3 onder a en b omschreven gedeelte van het erf mag geen kleinere aaneengesloten oppervlakte krijgen dan 25 m²;
  • e. met inachtneming van het bepaalde in lid 6.2.3 onder c mag het gezamenlijke grondoppervlak van de gebouwen niet meer bedragen dan 75 m²;
  • f. voor zover de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 600 m² en de resterende omvang van het bouwperceel achter het bouwvlak meer bedraagt dan 200 m² mag het onder lid 6.2.3 onder e geregelde gezamenlijke grondoppervlak worden vermeerderd tot 10% van de omvang van het bouwperceel, tot in totaal 100 m²;
  • g. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • h. indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3 meter, de bouwhoogte niet meer dan 4,5 meter en de dakhelling niet meer dan 50° ten opzichte van het horizontale vlak;
  • i. gebouwen met één hellend dakvlak zijn uitsluitend mogelijk bij een aanbouw tegen de zij- en/of achterkant van het hoofdgebouw (aankappingen); hierbij mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3 meter en de bouwhoogte 4,5 meter;
  • j. dakterrassen zijn niet toegestaan;
  • k. de hoogte van erfafscheidingen, voor zover deze als bouwwerken geen gebouwen kunnen worden aangemerkt, mag van de voet af gemeten niet meer dan 1 meter bedragen, tenzij de afscheiding wordt geplaatst achter de voorgevelrooilijn; in geval de plaatsing achter de voorgevelrooilijn geschiedt, mag de hoogte niet meer dan 2 meter bedragen.
6.2.4 Autostalling

Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' mogen bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van het stallen van auto's en/of bergingen met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. De bebouwing dient verdiept of halfverdiept te worden gebouwd;
  • b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,5 meter.
6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen en de plaatsing van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden en bezonning van de aangrenzende gronden;
6.4 Afwijken van de bouwregels
6.4.1 Afwijken met betrekking tot parkeervoorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 6.2.1 onder b, mits:

  • a. de noodzakelijke parkeervoorzieningen op eigen terrein in onvoldoende mate kunnen worden gerealiseerd en op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien; en
  • b. de situering van de parkeerplaatsen het stedenbouwkundig beeld van de omgeving, de verkeersveiligheid en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig aantast.
6.4.2 Afwijken met betrekking tot de erfbouwingsregeling
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 6.2.3onder a en b met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte van de bebouwing maximaal 25 m² mag bedragen;
    • 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven niet onevenredig mogen worden geschaad;
    • 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving niet mag worden aangetast
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 6.2.3onder c, met dien verstande dat:
    • 1. slechts mag worden afgeweken ten behoeve van de bouw van een bijzondere woonvoorziening;
    • 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven niet onevenredig mag worden geschaad;
    • 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving niet mag worden aangetast.
  • c. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 6.2.3onder d, met dien verstande dat:
    • 1. het onder 6.2.3 onder a en b omschreven gedeelte van het erf kleiner is dan 50 m²;
    • 2. slechts mag worden afgeweken ten behoeve van de bouw van een bijzondere woonvoorziening of indien de oppervlakte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 40 m²;
    • 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven niet onevenredig mag worden geschaad;
    • 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving niet mag worden aangetast.
  • d. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de onder lid 6.2.3aangegeven maten en/of percentages, met dien verstande dat:
    • 1. de afwijking mag worden toegepast ten behoeve van een logische en zorgvuldige inpassing en/of aanpassing van een bouwplan aan de bijzondere omstandigheden van een eigen of naastgelegen bouwperceel en de daarop aanwezige bebouwing;
    • 2. de overschrijding maximaal 10% van de aangegeven maten en/of percentages mag bedragen, met dien verstande, dat ten aanzien van de onder 6.2.3 onder h en i bepaalde maximum hoogte een overschrijding tot maximaal 5,5 meter is toegestaan voor wat betreft erfbebouwing voorzover gelegen naast en tussen hoofdgebouwen;
    • 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven niet onevenredig mag worden aangetast;
    • 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving niet mag worden aangetast.
  • e. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van:
    • 1. het bepaalde onder 6.2.3 onder j uitsluitend voor dakterrassen bij woningen, waar de woonkamer op de eerste verdieping is gelegen en mits geen sprake is van onevenredige privacy-aantasting; een dergelijke afwijking is niet mogelijk voor woningen met een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3'.
    • 2. het bepaalde in 6.2.3 onder k met betrekking tot de voorgeschreven hoogtemaat voor erfafscheidingen tot respectievelijk 1,5 meter en 2,5 meter, uitsluitend voor open, pergola-achtige constructies.
6.5 Specifieke gebruiksregels
  • a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming;
  • b. Gebruik van ruimten binnen de woning en in de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voorzover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. maximaal 35% van de oppervlakte van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen, tot ten hoogste in totaal 50 m2 mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
    • 2. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
    • 3. vergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten ingevolge de wet milieubeheer zijn niet toegestaan;
    • 4. er mag geen detailhandel plaatsvinden.
  • c. Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten.
6.6 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder lid 6.5ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis voorzover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden.
    • 1. maximaal 35% van de oppervlakte van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen, tot ten hoogste in totaal 50 m2 mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
    • 2. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
    • 3. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;
    • 4. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
    • 5. de activiteit mag niet vergunningplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn;
    • 6. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit.

Burgemeester en wethouders wijken af van het bepaalde in lid 6.5 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige beleid, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.