direct naar inhoud van 5.8 Natuurwaarden
Plan: Carolus - De Herven
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002018-1301

5.8 Natuurwaarden

Vanuit de huidige natuurwetgeving is bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende natuurwaarden. Het gebied bevindt zich niet in of nabij een Speciale Beschermingszone (SBZ), is niet aangewezen in het kader van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn of binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Het plan dient dan ook alleen te worden getoetst aan strijdigheden met de Flora- en Faunawet. In het kader van deze wetgeving heeft een natuurtoets15 plaatsgevonden naar de voorkomende, dan wel te verwachten beschermde planten- en diersoorten binnen het plangebied. In het plangebied zijn biotopen aanwezig voor (strikt) beschermde dier- of plantensoorten die de voorgenomen ontwikkelingen beïnvloeden. Indien bomen worden gerooid dan moet door middel van aanvullende inspectie worden vastgesteld of verblijfplaatsen van vleermuizen verlopen kunnen gaan. Deze inspectie dient plaats te vinden in de periode april tot augustus.

In een aanvullende onderzoek16 heeft een inventarisatie plaatsgevonden naar vleermuissoorten in het plangebied. Het onderzoek heeft aangetoond dat het plangebied gebruikt wordt door twee vleermuissoorten, namelijk de Gewone dwergvleermuis en de Watervleermuis. Het plangebied blijkt vooral gebruikt te worden als foerageergebied door de Gewone dwergvleermuis. De Watervleermuis kan alleen in het plangebied jagen als de wateroppervlakte vrij is van waterplanten (zoals Eendekroos). Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen waargenomen in aanwezige gebouwen of bomen. De herontwikkeling zal niet leiden tot het verdwijnen van de trekroute omdat er in de directe omgeving voldoende structuurelementen (woningen, tuinbeplanting en openbaar groen) aanwezig zijn waarlangs de vleermuizen naar hun foerageergebieden kunnen trekken. In principe is nooit met zekerheid aan te geven dat geen vleermuizen aanwezig zullen zijn. In dit geval wordt de kans op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen na de avond/ nachtbezoeken zeer klein geacht. Door de geplande ontwikkelingen gaan geen verblijfplaatsen, foerageergebied of vliegroutes verloren. Gezien de resultaten uit het bovenstaande onderzoek is het niet noodzakelijk een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet aan te vragen voor effecten op het leefgebied van vleermuizen door de herontwikkeling op het terrein van het Jeroen Bosch Ziekenhuis en de Herven.