direct naar inhoud van Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten
Plan: Bruggen 21
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002041-1402

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten

In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten en de (wettelijk beschermde) waarden beschreven.

5.1 Bodemkwaliteit

Van het betreffende perceel en de percelen in de directe omgeving zijn geen gegevens bekend over de milieuhygiënische bodemkwaliteit.

Bedrijvigheid en particuliere olietanks

Volgens het milieuregistratiesysteem zijn binnen het plangebied geen brandstoftanks aanwezig (geweest). Voorts is op basis van het Historisch bodembestand geïnventariseerd of er op of nabij de locatie voormalige bedrijven aanwezig waren welke in het verleden een mogelijke bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Dergelijke bedrijven zijn in dit bestand niet aangetroffen.

Conclusie

Op basis van de huidige informatie zijn geen problemen te verwachten en kan de bodem in algemene zin geschikt worden beschouwd voor het huidige en beoogde gebruik.

Wettelijke regelingen

Ingevolge de Woningwet en de Bouwverordening zal in het kader van de afgifte van een bouwvergunning voor verblijfsruimten groter dan 20 m2 een bodemtoets moeten plaatsvinden op basis van een actueel bodemonderzoek conform de NVN 5725 eventueel in combinatie met de NEN 5740. Bij het bodemonderzoek kan uitgegaan worden van de onderzoeksstrategie “onverdacht”.

Grondverzet zal overeenkomstig het gestelde in het Besluit bodemkwaliteit moeten geschieden. In 2007 is voor de gehele gemeente ’s-Hertogenbosch een Bodemkwaliteitskaart vastgesteld, waarbij beheerszones zijn aangegeven met een gelijksoortige bodemkwaliteit waarbinnen grondverzet kan plaatsvinden.

5.2 Verkeerslawaai

Woningen zijn in de Wet geluidhinder opgenomen als geluidgevoelige objecten. De huidige en toekomstige geluidsbelasting bedraagt volgens gemeentelijke verkeersmilieukaart (PROMIL) 50 tot 55 dB. Dit is een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de omgeving is dit een normaal geluidsniveau. Voor de straten in de directe omgeving geldt een 30 km/uur-regime. Een akoestisch onderzoek wordt derhalve niet nodig geacht. Het plan voldoet aan de Wet geluidhinder, maar de gebouwen moeten over een dusdanige geluidsisolatie beschikken, dat bij een geluidsniveau op de gevel van 55 dB een binnenwaarde van 35 dB gegarandeerd kan worden.

Conclusie

Het plan voldoet aan de Wet geluidhinder.

5.3 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Deze Wet voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 1% grens niet wordt overschreden. De grens van 1% geldt zolang het NSL nog niet is vastgesteld. Na vaststelling geldt de 3% grens. De 1% grens is gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 0,4 ìg/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” wordt aangegeven, ook voor de 1% grens, op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van een aantal gevallen. Voor woningbouw bijvoorbeeld geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrageneutraal). Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 1000 woningen.

Het plan omvat het vervangen van één woning en is daarmee niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Naast de productie van luchtveronreinigende stoffen als gevolg van het project is de blootstelling van nieuwe bewoners aan luchtveronreinigende stoffen van belang. Volgens gemeentelijke verkeersmilileukaart (PROMIL) ligt de luchtkwaliteit ter plekke ver onder de huidige en toekomstige grenswaarde, dus op een acceptabel niveau.

Conclusie

Het plan voldoet aan de Wet luchtkwaliteitseisen.

5.4 Externe veiligheid

In de directe omgeving bevinden zich geen routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Op het adres Bruggen 12 ligt een vuurwerkbedrijf. De risicocontour van dit bedrijf is relatief klein, zodat deze niet over de woningen komt te liggen.

Conclusie

Het plan is niet in strijd met het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

5.5 Bedrijven en milieuzonering

Het plangebied ligt niet binnen een hindercirkel of milieuzonering van bedrijvigheid.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2005 van de provincie Noord-Brabant weer. Onderhavig plangebied is hierop aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002041-1402_0012.png"

uitsnede cultuurhistorische waardenkaart 2005

5.6.1 Archeologie

Het plangebied ligt binnen een zone die is niet is gekarteerd betreffende de archeologische verwachtingswaarde. De gemeentelijk archeologische verwachtingskaart geeft ter plaatse een hoge archeologische verwachtingswaarde aan. Omdat het bouwplan een oppervlakte heeft groter dan 100 m² is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek verplicht.

Het archeologisch onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag bouwvergunning.

5.6.2 Cultuurhistorie

De straat Bruggen is een lijnelement met een zeer hoge historisch-geografische waarde. Het plan betreft het vervangen van een woning langs deze straat. Het plan omvat geen aanpassing van de loop van de weg en tast daarmee de zeer hoge waarde niet aan.

Conclusie

Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.

5.7 Flora en fauna

Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren zijn twee wetten van toepassing. De Flora- en faunawet betreft een soortenbescherming. Middels de Natuurbeschermingswet 1998 worden waardevolle gebieden als Vogel- en Habitatrichtlijngebieden beschermd.

Deze paragraaf betreft een quickscan naar de binnen het plangebied aanwezige natuurwaarden en de bescherming van de waarden. Ten aanzien van voorliggend plan moeten de volgende vragen worden beantwoord.

  • 1. Zijn er mogelijk beschermde planten of dieren in het studiegebied aanwezig, en zo ja, welke?;
  • 2. Kunnen er verboden handelingen vanwege de Flora- en faunawet optreden op deze soorten ten gevolge van de uitvoering van het project?;
  • 3. Is het mogelijk deze verboden handelingen te voorkomen door het treffen van (beschermende) maatregelen?;
  • 4. Is het noodzakelijk een nader onderzoek uit te voeren en een ontheffing aan te vragen?

ad 1.

De eventuele aanwezigheid van beschermde soorten binnen het plangebied is bepaald aan de hand van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek. Bij het literatuuronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd.

a. Het natuurloket (www.natuurloket.nl)

Het plangebied ligt binnen één kilometerhok waarvoor gegevens beschikbaar zijn over de hele verspreiding van beschermde soorten. Binnen dit kilometerhok komen de volgende soorten voor:

soortgroep   Flora- en faunawet   Habitat- of
Vogelrichtlijn  
Rode lijst  
  vrijstelling   beschermd    
zoogdieren   -   1   -   -  

Opgemerkt moet worden dat er geen gegevens bekend zijn over de gehele verspreiding van de beschermde soorten. Veel soorten zijn niet of slecht onderzocht.

b. Provinciale verspreidingsgevens (cd “Rekening houden met Habitatrichtlijnsoorten in Noord-Brabant”.

Onderstaande habitatsoorten komen in meer of mindere mate voor in het gebied:

  • Heikikker (mogelijk binnen de wijdere omgeving);
  • Kamsalamander (mogelijk binnen de wijdere omgeving);
  • Poelkikker (mogelijk binnen de wijdere omgeving);
  • Rugstreeppad (mogelijk binnen de wijdere omgeving);
  • Vleermuis in bos of bomen (mogelijk binnen de wijdere omgeving).

De mogelijk voorkomende soorten zijn regulier in de gehele regio.

c. Interimstructuurvisie Noord-Brabant 2008

Het plangebied is onderdeel van het bebouwd gebied van Rosmalen en ligt derhalve niet in de ecologische hoofdstructuur (EHS) of groene hoofdstructuur (GHS).

d. Vogel- en Habitatrichtlijngebieden

Het plangebied ligt niet binnen een Vogel- of Habitatrichtlijngebied.

Voorts is door Bionet Zoogdieronderzoek uit Vught een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de bestaande bebouwing: briefrapport “Zoogdieronderzoek aangaande: Mogelijke sloop van het pand op perceel Bruggen 21 te Rosmalen” (20 augustus 2008). Dit rapport is als bijlage opgenomen. Bionet concludeert dat ter plaatse geen aanwijzingen zijn gevonden van bewoning van de bestaande bebouwing door vleermuizen. Bionet acht een vervolgonderzoek alsmede ontheffing van de Flora- en faunawet niet nodig.

Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld welke beschermde soorten op het terrein kunnen voorkomen. Gezien het gebruik van het terrein als tuin / kwekerij, zijn de verwachtingswaarden ten aanzien van de meeste soortgroepen zeer laag. Beschermde planten, insecten, reptielen, amfibieën zullen hier niet voorkomen. Van de zoogdieren is het terrein mogelijk geschikt voor de eekhoorn en voor vleermuizen. Het voorkomen van eekhoorn is onlangs onderzocht in het kader van het bestemmingsplan Bruggen, dat nabij ligt. Hierbij is vastgesteld dat de eekhoorn hier niet voorkomt. Op basis van het eerder genoemde onderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied onderdeel vormt van het jachtgebied van de vleermuis, maar dat de vleermuis de bomen en bebouwing niet als verblijfsplaats gebruikt. Broedvogels komen zeker voor op het terrein. Deze vogels gebruiken mogelijk de aanwezige bomen voor broedplaats.

ad 2.

Voorliggend plan omvat de sloop van bestaande bebouwing, het kappen van twee bomen en het oprichten van een nieuwe woning met bijgebouw. Verboden handelingen zie zouden kunnen optreden zijn de verstoring van broedende vogels in de te kappen bomen en de verstoring van vleermuizen in de te slopen bebouwing en de te kappen bomen. Zoals uit het verrichte veldonderzoek naar voren komt is ter plaatse geen sprake van de aanwezigheid van vleermuizen in de bestaande bebouwing, waardoor de laatstgenoemde verboden handeling niet aan de orde is. Verstoring van broedplaatsen van vogels is mogelijk wel aan de orde.

ad 3.

Er is geen ontheffing mogelijk voor het verstoren van broedplaatsen van vogels. Om te voorkomen dat broedende vogels worden gestoord zal het kappen van de bomen buiten het broedseizoen (dat loopt van half maart tot half juli) plaatsvinden. Binnen het plangebied staan twee eiken. De eikenbomen zijn vanwege hun insectenrijkheid van belang voor de aanwezige vleermuispopulatie. Beide eikenbomen blijven behouden.

ad 4.

Uit het voorgaande blijkt dat er geen verboden handelingen worden uitgevoerd. Een nader onderzoek alsmede ontheffing van de Flora- en faunawet zijn derhalve niet nodig.

Conclusie

Ontheffing van de Flora en faunawet is niet nodig.

5.8 Overig

Overigens zijn geen milieuaspecten of bijzondere waarden van natuur en/of cultuur van belang.