direct naar inhoud van 5.8 Cultuurhistorische en archeologische waarden
Plan: Kruisstraat 39a Rosmalen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002076-1301

5.8 Cultuurhistorische en archeologische waarden

Inleiding

Met de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) d.d. 1 september 2007 behoren nieuwe bestemmingsplannen te omschrijven hoe omgegaan dient te worden met de bekende en de te verwachte archeologische waarden in het bestemmingsplangebied. Hieronder volgt een korte schets van de samenstelling en aard van de archeologische waarden. Vervolgens wordt een overzicht geboden van de randvoorwaarden die het gemeentelijke archeologische monumentenzorgbeleid stelt aan bodemingrepen in het bestemmingsplangebied.

Teneinde over gerichte archeologische informatie over het plangebied te kunnen beschikken is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek3 uitgevoerd.

Bureauonderzoek

Tijdens het bureauonderzoek is met behulp van bestaande bronnen een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor het gebied opgesteld. Dit is gedaan door het raadplegen van voor de archeologie relevante (schriftelijke) bronnen. Dit betreft met name gegevens over bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied. Deze zijn aangevuld met historisch en fysisch-geografisch onderzoek, waarbij informatie over vroeger grondgebruik is verkregen door de analyse van historische kaarten. Tevens zijn gegevens over de geologie, geomorfologie en bodem bestudeerd.

Volgens de geomorfologische kaart ligt de weg de Kruisstraat op een langgerekte dekzandrug (code 3K14). Deze dekzandrug is ook goed zichtbaar op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN). Het plangebied is op de geomorfologische kaart deels niet gekarteerd, omdat het noordelijke deel binnen de bebouwde kom van het dorp Kruisstraat ligt en het zuidelijke deel in een vlakte ontstaan door afgraving of egalisatie ligt (code 2M48). Gezien de aangegeven arcering ligt deze vlakte lager dan de bebouwde kom. Op basis van het AHN is geconcludeerd dat het plangebied ook op de dekzandrug ligt. Mogelijk is het zuidelijke deel van het plangebied later deels opgehoogd, waardoor het lijkt alsof het hele gebied op een dekzandrug ligt.

Volgens de bodemkaart komen in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand voor (code zEZ21). De enkeerdgronden bestaan uit de oorspronkelijke bodem, die is afgedekt door een plaggendek. De podzolgrond ter plaatse van het plangebied is afgedekt met een plaggendek van meer dan 50 cm dik. De plaggendekken zijn ontstaan, doordat in Zuid-Nederland vanaf circa 14e en 15e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Plaggen zijn met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De bouwvoor is donker grijsbruin tot zwart gekleurd en circa 30-35 cm dik (Aap-horizont). Hieronder ligt het oudere niveau van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur is. De oorspronkelijke podzolgrond, die onder het plaggendek ligt, is vaak door verploeging/verspitting met de onderste helft van het plaggendek vermengd geraakt.

Uit de archieven en ARCHIS II van de RCE blijkt uit het plangebied zelf geen monumenten en waarnemingen bekend zijn. Uit de directe omgeving (binnen een straal van 300m) is één waarneming bekend. Uit de wijdere omgeving (binnen een straal van 600 m) zijn twee onderzoeksmeldingen en elf waarnemingen bekend (zie tabel 1).

Onderzoeksmelding   Afstand (in m.)   richting   ligging   datering  
5354   0     n.v.t   n.v.t  
32088   430   W   Dekzandrug/ verstroord   n.v.t  
3087   475   ZW   n.v.t.   n.v.t.  
Waarneming   Afstand (in m.)   richting   ligging   datering  
105519   255   NW   Dekzandrug   IJZ, LMEA-NT  
105518   345   NW   Terrasvlakte   LMEB-NT  
105526   375   NO   Terrasvlakte   NT  
105534   380   ZO   Vlakte ontstaan door afgraving   LMEA-NT  
105528   420   NO   Terrasvlakte   PALEO, IJZ, LME-NT  
105543   435   NO   Dekzandrug   LMEB-NTB  
14302   490   NO   Vlakte ontstaan door afgraving   LMEA-LMEB  
105546   495   ZO   Vlakte ontstaan door afgraving   VMEC  
105515   525   W   Dekzandrug   VMED-NT  
105544   538   ZO   Vlakte ontstaan door afgraving   VMED-LMEB  
105545   595   NO   Vlakte ontstaan door afgraving   IJZ, LMEB-NT  
105549   595   ZO   Vlakte ontstaan door afgraving   VMED-NT  
         

Tabel 1: Samenvattende tabel voor de genoemde onderzoeksmeldingen en waarnemingen

Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch4 is het plangebied aangeduid als een zone met een hoge archeologische verwachting. Daarnaast ligt het plangebied aan de rand van de historische kern zoals die op basis van de kadastrale kaart uit 1832 is vastgesteld. Deze kaarten zijn indicatief en zullen voor het opstellen van een gespecificeerd verwachtingsmodel worden genuanceerd en gepreciseerd, aangezien uit deze kaarten niet blijkt wat de aard en ouderdom is van de te verwachten archeologische resten.

Op het minuutplan uit begin 19e eeuw is te zien dat het plangebied onbebouwd is. Wel ligt een drietal gebouwen direct ten zuidwesten van het plangebied. In de gegevens van de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) behorende bij het minuutplan, staan deze beschreven als huis en erf. Het plangebied maakt onderdeel uit van meerdere percelen die als bouwland in gebruik zijn. Ten noordwesten van het plangebied, aan de Kruisstraat, is een school te zien. De langgerekte, smalle strook die vanuit de Kruisstraat in zuidelijke richting loopt en door het westelijke deel van het plangebied loopt, betreft een bouwlandperceel.

Op de kaart uit 1838-1857 is een soortgelijke situatie zichtbaar. Het plangebied is onbebouwd en bestaat uit bouwland. De drie gebouwen direct ten zuidwesten van het plangebied zijn nog aanwezig. Duidelijk herkenbaar is de lintbebouwing die de bewoningskern van Kruisstraat vormt. De bouwlandpercelen staan haaks op de weg Kruisstraat en zijn langgerekt en smal.

Op de kaart uit circa 1910 blijft het plangebied onbebouwd en in gebruik als bouwland. De bebouwing ten zuidwesten van het plangebied staat aangegeven als (de hoeve) Bosch Duinen.

Op de kaart uit 1956 staat de naam Bosduinen aangegeven bij de drie gebouwen. Het plangebied is in gebruik als bouwland met uitzondering van het zuidoostelijke deel dat uit een boomgaard lijkt te bestaan. De huidige bebouwing direct ten noorden van het plangebied (Kruisstraat 39) staat nu ook weergegeven. Het langgerekte perceel direct ten westen van het plangebied is nu aangegeven als een onverharde weg.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op basis van de geïnventariseerde bronnen is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (zie tabel 2).

Periode   Verwachting   Verwachte kenmerken vindplaats   Diepteligging sporen  
laat-paleolithicum / mesolithicum   hoog   Bewoningssporen, tijdelijke kampementen: vuursteen artefacten, haardkuilen   Onder het plaggendek in de podzolbodem  
neolithicum / vroege middeleeuwen   hoog   Nederzetting: cultuurlaag, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen   Onder het plaggendek in de podzolbodem  
late middeleeuwen / nieuwe tijd   middelhoog   Nederzetting: cultuurlaag, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen   vanaf maaiveld  

Tabel 2: Archeologische verwachting per periode

Verkennend booronderzoek

Het doel van het verkennend booronderzoek is het toetsen van het opgestelde verwachtingsmodel door de intactheid van de bodemopbouw en de geomorfologische situatie vast te stellen. In totaal zijn er 10 boringen uitgevoerd. Vanwege het geringe oppervlak en de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het ontwikkelingsgebied verdeeld. Ook is er geboord binnen een gebouw (boring 1 en 3) en zijn er betonboringen (boring 1 en 2) uitgevoerd. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een meetlint.

Er is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 25 cm in de C-horizont. Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de NEN 5104 en bodemkundig geïnterpreteerd.

Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat de natuurlijke ondergrond (C-horizont) bestaat uit goed gesorteerd, goed afgerond, licht bruinwit tot geel zand. Dit zand is geïnterpreteerd als dekzand van het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. De bodem in het gebied bestaat uit een laarpodzolgrond met daaronder in een aantal boringen (boring 1, 6 en 7) nog de restanten van bodemhorizonten. In boringen 4 en 5 werd een humeuze, donkere vulling aangetroffen die geïnterpreteerd is als een slootopvulling. Het zuidwestelijke deel van het gebied is verstoord (boring 2, 3, 4, 5, 9 en 10). In boring 2 en 3 is de bodem verstoord tot op grote diepte. In de boringen 4, 5, 9 en 10 is een slootopvulling aangetroffen. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een vindplaats. Het opsporen van archeologische vindplaatsen was echter ook niet primair het doel van het onderzoek.

Eventuele archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met vroege middeleeuwen kunnen verwacht worden onder het plaggendek in de podzolbodem, tot in de C-horizont. Het archeologische niveau is in boring 1 aangetroffen vanaf 55 cm beneden het maaiveld, in boring 6 vanaf 95 cm beneden het maaiveld en in boring 7 vanaf 90 cm beneden het maaiveld. Met uitzondering van het zuidwestelijke deel van het plangebied kan het archeologisch niveau in het plangebied worden aangetroffen vanaf 55 tot 95 cm beneden maaiveld.

De hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek, voor archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum, kan op basis van het veldonderzoek voor het zuidwestelijke deel van het plangebied worden bijgesteld naar laag en voor de rest van het gebied kan de hoge verwachting worden gehandhaafd. De hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek, voor archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, kan met uitzondering van het zuidwestelijke deel van het gebied worden gehandhaafd. De middelhoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kan op basis van het veldonderzoek worden gehandhaafd.

De verwachte verstoringsdiepte van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt ongeveer 80 cm onder maaiveld. Daardoor komt de verstoringsdiepte deels in de archeologische laag en deels net boven de archeologische laag.

Vergelijking resultaten booronderzoek met bouwplan

Om te kunnen bepalen of en in welke mate en vorm archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is, zijn door de afdeling BAM van de gemeente 's-Hertogenbosch de resultaten van het archeologisch onderzoek vergeleken met de meer uitgewerkte plannen van de ontwikkeling (bouwplan). Van de te slopen loodsen worden de betonvloeren en de strokenfunderingen (voor zover aanwezig) verwijderd. Bij het verwijderen van de funderingen wordt niet dieper en breder dan de bestaande verstoring gegraven. De kans dat tijdens het verwijderen van de funderingen archeologische niveaus worden verstoord wordt laag geschat. Archeologische begeleiding van de sloopwerkzaamheden wordt derhalve niet nodig geacht.

Het terrein zal over het geheel met circa 20 cm worden opgehoogd om de bestaande niveauverschillen tussen de voorkant en de achterkant van het perceel te nivelleren. Door het ophogen van het terrein zal de onderkant van de strokenfunderingen van de nieuw te bouwen loods zeker 30 cm boven het relevante archeologische komen te liggen. Aanvullend archeologisch onderzoek zal hierdoor niet noodzakelijk zijn. Een uitzondering vormt mogelijk een kleine zone langs de zuidoostrand van het plangebied maar het oppervlak van het relevante archeologische niveau dat hierbij mogelijk verstoord wordt is dermate klein dat aanvullend onderzoek niet zinvol wordt geacht.

De conclusie luidt dat er geen belemmeringen vanuit archeologie zijn tegen het bouwplan. Indien tijdens de grondwerkzaamheden toch archeologische vondsten worden gedaan is initiatiefnemer verplicht deze te melden aan het bevoegd gezag (i.c. de gemeentelijk archeoloog van 's-Hertogenbosch).