direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Graafsewijk - Aawijk 2017
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002320-1201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding bestemmingsplan

Op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan elke tien jaar opnieuw te worden vastgesteld. Voor het grootste deel van het gebied Graafsewijk en Aawijk geldt een bestemmingsplan uit 2007. Dit bestemmingsplan moet opnieuw worden vastgesteld.

Voor een deel van het gebied geldt geen bestemmingsplan. Hier gelden alleen de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening. Om te voorkomen dat voor het gebied ook de stedenbouwkundige voorschriften vervallen, dient voor 2018 een bestemmingsplan te worden vastgesteld. Voor dit gebied geldt momenteel wel een voorbereidingsbesluit.

Voor kleinere delen van de wijken geldt een recenter bestemmingsplan. Deze gebieden zijn toch opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan om te zorgen dat er zoveel mogelijk één bestemmingsplan geldt voor de beide wijken.

Net buiten het gebied van de Graafsewijk en Aawijk liggen twee gebieden waarvoor ook een nieuw bestemmingsplan dient te worden vastgesteld. Het gaat om het zorgcentrum Hintham en omgeving en het gebied Graafseweg 354-358. Voor het zorgcentrum Hintham (inclusief sociaal-cultureel centrum De Biechten), het Ijzeren kind en omgeving geldt een bestemmingsplan uit 2004 dat onherroepelijk in werking is getreden in 2007. Voor het gebied Graafseweg 354-358 geldt op dit moment geen bestemmingsplan meer. Voor dit laatstgenoemde gebied is een voorbereidingsbesluit genomen.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' heeft betrekking op de meeste buurten van de Graafsewijk en Aawijk en een gebied in Hintham.

Het plangebied bestaat uit de volgende buurten: Graafsebuurt-noord (gedeeltelijk), Graafsebuurt-zuid, Hinthamerpark, Aawijk-noord, Hinthamerpoort-zuid (Barten-zuid) van de wijk Graafsepoort en De Bossche Pad (Eikendonk), Grevelingen en Aawijk-zuid van de wijk Zuidoost. Daarnaast zit in het plangebied ook een gebied uit de buurt Hintham-zuid dat ook ligt in de wijk Graafsepoort: het zorgcentrum Hintham (inclusief sociaal-cultureel centrum De Biechten) met het Ijzeren kind en omliggende woningen. Het gebied Graafseweg 354-358 ten slotte maakt onderdeel uit van het noordelijke deel van de Graafsebuurt-noord dat voor het overige deel buiten het plangebied is gelaten.

De begrenzing van het plangebied is op het kaartje hierna aangegeven en wordt globaal gevormd door:

  • in het noorden de Aartshertogenlaan / Graafseweg;
  • in het oosten de Jasmijnstraat, de Vincent van Goghlaan ter hoogte van Ijzeren Kind, de woningen aan de Jan Sluytersstraat, de Aa en de autosnelweg A2;
  • in het zuiden de Zuid-Willemsvaart;
  • in het westen: de Graafseweg en de Van Grobbendoncklaan.

Daarnaast is het gebied Graafseweg 354-358 (even nummers) inclusief Vliertsesteeg 4, 4A, 4B, 6, 6A en 6B opgenomen in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0001.jpg"

Afbeelding 1.1 Plangebied bestemmingsplan

Mgr. Van Roosmalenplein - Van Broeckhovenlaan

Het gebied tussen de Graafseweg, Boterweg, Seringenstraat, Van Broeckhovenlaan en Pater van den Elsenstraat was niet opgenomen in het plangebied van het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk' uit 2007. Op dat moment was overleg gaande over ontwikkelingen als de vergroting van het winkelcentrum en de bouw van woningen. Gelet op de looptijd en de complexiteit van het project verdiende het destijds de voorkeur deze ontwikkelingen via een afzonderlijk bestemmingsplan mogelijk te maken. Inmiddels hebben de eerder voor het gebied geldende bestemmingsplannen op grond van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening hun werking verloren, waardoor nu nog slechts de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening gelden voor deze gronden. Om de regie van de gemeente op de invulling van het gebied te behouden, is de afgelopen jaren voor het gebied een voorbereidingsbesluit genomen. Om te voorkomen dat voor het gebied ook de stedenbouwkundige voorschriften vervallen, dient voor 2018 een bestemmingsplan voor de gronden te worden vastgesteld. Op dit moment zijn er nog (steeds) geen concrete bouwplannen voor het winkelcentrum aan de Mgr. Van Roosmalenplein en de omgeving. Dit betekent dat in dit bestemmingsplan gekozen is om de situatie zoals deze nu feitelijk bestaat vast te leggen. Bestaande functies krijgen een bestemming overeenkomstig het huidige gebruik.

De Bossche Pad (Eikendonk)

De buurt De Bossche Pad, ook wel Eikendonk genoemd, was buiten het plangebied van het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk' uit 2007 gelaten. Maar deze buurt is wel onderdeel van de Aawijk. Hier heeft een herstructurering plaatsgevonden. De gronden zijn opgenomen in het bestemmingsplan 'Eikendonk' uit 2011. Nu de herstructurering heeft plaatsgevonden, wordt de bestaande situatie opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.

Nieuwe woonbuurt Jan Sluyterscomplex

Hoewel de voormalige sportvelden van het Jan Sluyterscomplex wel onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk' uit 2007, zijn ze niet opgenomen in het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017'. Voor het terrein is al een nieuw bestemmingsplan vastgesteld om woningbouw mogelijk te maken. Deze woningbouw is nog in ontwikkeling. Er worden circa 92 woningen gebouwd door zelfbouw en samenbouw. Voor deze woningbouwontwikkeling is het bestemmingsplan 'Jan Sluytersstraat' eind 2015 vastgesteld. Na een uitspraak van de Raad van State is een herziening voor het onderdeel parkeren geregeld in het bestemmingsplan 'Jan Sluytersstraat, 1e herziening (correctie regeling parkeren Woongebied)' uit 2016.

Zorgcentrum Hintham en omgeving

Ondanks dat het zorgcentrum Hintham inclusief sociaal-cultureel centrum De Biechten, het Ijzeren kind en omgeving geen onderdeel uitmaakt van de Graafsewijk - Aawijk, omdat het ligt binnen de buurt Hintham-zuid, is dit gebied toch meegenomen in het plangebied van het bestemmingsplan. Ook voor dit gebied dient het bestemmingsplan opnieuw te worden vastgesteld. Het gebied ligt bovendien tegen het plangebied van het bestemmingplan 'Graafsewijk - Aawijk' uit 2007 aan. Het zorgcentrum Hintham inclusief sociaal-cultureel centrum De Biechten is een aantal jaren geleden al gebouwd. Er worden geen ontwikkelingen verwacht. Ook voor dit gebied vindt een actualisatie van de regeling plaats.

Graafseweg 354-358

Voor het gebied aan de Graafseweg 354-358 geldt dat het daarvoor vastgestelde bestemmingsplan 'Hintham' voor het betreffende gebied is vernietigd door de Raad van State. Om de regie van de gemeente op mogelijke herinvulling van het gebied te behouden is een voorbereidingsbesluit vastgesteld voor de locatie. Dit voorbereidingsbesluit is genomen vooruitlopend op een nieuw bestemmingsplan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt het gebrek aan een bestemmingsplanregeling hersteld.

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

2.1 Geldende bestemmingsplannen

Voor het overgrote deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk' uit 2007. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad 's-Hertogenbosch op 4 september 2007. Het plan is onherroepelijk in werking getreden op 16 april 2008. Voor de ontwikkeling van woningbouw op de hoek van de Dommelstraat en de Balistraat is het wijzigingsplan 'Dommelstraat - Balistraat' door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 18 januari 2011.

Voor de buurt De Bossche Pad (Eikendonk) geldt het bestemmingsplan 'Eikendonk' vastgesteld op 13 december 2011, onherroepelijk in werking getreden op 3 oktober 2012.

Voor het gebied Van Roosmalenplein - Van Broeckhovenlaan geldt geen bestemmingsplan. Hiervoor zijn vanaf 2014 achtereenvolgens voorbereidingsbesluiten genomen. Het laatste voorbereidingsbesluit is van 31 januari 2017.

Voor de hockey velden bij de Oosterplas geldt het bestemmingsplan 'Hockeycomplex HC Den Bosch'. Dat plan is vastgesteld op 7 oktober 2014 en onherroepelijk in werking getreden op 2 december 2014.

Voor zorgcentrum Hintham met sociaal-cultureel centrum De Biechten vigeert het bestemmingsplan 'Zorgcentrum Hintham' dat is vastgesteld op 21 december 2004. Het plan is onherroepelijk in werking getreden in 2007.

Voor de Graafseweg 354-358 geldt geen bestemmingsplan.

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied bestaat uit de volgende buurten: Graafsebuurt-noord (gedeeltelijk), Graafsebuurt-zuid, Hinthamerpark, Aawijk noord en Hinthamerpoort zuid, Bossche Pad (Eikendonk), Grevelingen en Aawijk-zuid (inclusief Oosterplas e.o.) en twee gebieden in Hintham: zorgcentrum Hintham en omgeving en Graafseweg 354-358.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0002.jpg"

Afbeelding 2.1 Plangebied bestemmingsplan met buurtnamen

Graafsebuurt-noord

De Graafsebuurt-noord betreft het gedeelte van de Graafsewijk ten noorden van de Graafseweg.

Het eerste deel van de Graafsebuurt-noord ontstond in de jaren '30 van de vorige eeuw. Dit zijn de woningen aan de Elzenstraat en de Abeelenstraat. De rest van de Graafsebuurt-noord ontstond in de jaren '50. De Graafsebuurt-noord was een typisch voorbeeld van een arbeiderswijk en eenvoudige middenstandsbuurt. Voor Brabantse begrippen was het oudste gedeelte van de Graafsebuurt-noord destijds zeer compact vormgegeven. De bebouwing die in de jaren '50 is gerealiseerd, is uitgevoerd in sobere baksteenarchitectuur. Door toepassing van halfopen bouwblokken, groenzones, lanen en ruime wijk- en buurtparken heeft dit deel een groener karakter dan de Graafsebuurt-zuid, en de woningen aan de Elzenstraat en Abeelenstraat. De stedenbouwkundige structuur van de buurt is traditioneel van opbouw met bouwblokken en een ruimtelijk hiërarchisch vormgegeven stratenpatroon.

Graafsebuurt-zuid

De Graafsebuurt-zuid ligt ten zuiden van de Graafseweg. Een gedeelte van de Graafsebuurt-zuid (westzijde) en het grootste deel van de woningen aan de Graafseweg zijn ontstaan in de jaren '30 van de vorige eeuw. De rest van de Graafsebuurt-zuid ontstond na de Tweede Wereldoorlog. De Graafsebuurt-zuid heeft een duidelijk herkenbaar stedenbouwkundig karakter. De grondgebonden woningen zijn in duidelijk herkenbare bouwblokken in een vrij hoge dichtheid gebouwd. De straten zijn smal en steenachtig. Op enkele plantsoenen en groenstroken na is er weinig openbaar groen aanwezig.

Hinthamerpark

In de loop van de jaren '30 van de vorige eeuw werden enkele aantrekkelijke kleine villabuurtjes opgericht met veel groen, bomen en ruim opgezette plantsoenen. Het Hinthamerpark is zo'n buurt. Deze buurt heeft een tuindorpachtige en open bebouwingsstructuur van halfopen en open bouwblokken. In het zuidwestelijk deel van Hinthamerpark is het winkelcentrum Van Roosmalenplein gevestigd. Dit winkelcentrum vormt de belangrijkste winkelvoorziening voor de woonbuurten Graafsewijk en Aawijk.

Aawijk-noord

De Aawijk-noord is de laatste buurt die in de Graafsewijk werd gebouwd. Deze buurt bestaat uit eenvoudige rijwoningen. De buurt heeft met haar herkenbare en repeterende bouwblokken en stratenpatroon een duidelijke stedenbouwkundige opzet. Aan de zuidzijde van de buurt, langs de Aa, staan flats haaks op de rivier, waardoor er een zichtrelatie is met het water. De flatgebouwen worden hier omgeven door een ruim opgezette groenstructuur.

Hinthamerpoort-zuid

Rond 1910 werden de eerste plannen gepresenteerd voor het bouwen van woningen aan de Hinthamersteenweg, dat later de naam Graafseweg kreeg. In de daaropvolgende jaren verschenen er nog verschillende plannen voor het gebied. Vanaf ongeveer 1920 werd de eerste fase van “Hinthamerpoort” aangelegd. Deze buurt werd ook wel De Bartjes genoemd. Het betrof het gebied ten noorden van de Hinthamersteenweg (dat geen deel uitmaakt van dit bestemmingsplan) en een gebied ten zuiden ervan. Rond het midden van de jaren '20 van de vorige eeuw was het terrein rond de Hinthamerweg volgebouwd. Toch werd de stad nog steeds geconfronteerd met een nijpend gebrek aan woonruimte. De gemeente besloot daarom in 1930 tot aankoop en ophoging van het terrein tussen de Dageraadsweg en de rivier de Aa om aldaar een 300-tal arbeiderswoningen te bouwen. Gestart werd met de bebouwing rondom het Lariksplein. Dit is het hart van Hinthamerpoort. Het grootste deel van de woningen in het zuidelijk deel van Hinthamerpoort betreft betonwoningen. Deze industriële systeembouw was voor die tijd erg vooruitstrevend. De verdere invulling van de wijk zou zich uitstrekken tot in de tweede helft van de 20e eeuw. De laatste woningen werden gebouwd in baksteen, tussen de Aa en de Dageraadsweg. De woningen in Hinthamerpoort zijn inmiddels voor een deel vervangen door sociale woningbouw uit de jaren '80.

Het zuidelijk deel van de Hinthamerpoort is een buurt met een fijnmazig stratenpatroon. Samen met enkele kleinere groenvoorzieningen ontstond een buurt met een hoge dichtheid en een sterk versteend straatbeeld. De Hinthamerpoort is aan het begin van de eeuw aangewezen als aandachtsgebied in het kader van het GSB-beleid ter verbetering van de sociale, economische en ruimtelijke structuur. Momenteel wordt vooral de openbare ruimte onder handen genomen om deze te voorzien van een kwaliteitsimpuls.

Grevelingen

De buurt Grevelingen is gebouwd in de jaren '60 en grenst aan De Bossche Pad en de Aawijk-zuid. Het gebied wordt gekenmerkt door een menging van functies en losse, op zichzelf staande bebouwing. Door de aanwezigheid van de hogere bebouwing vormt deze buurt een groot contrast met De Bossche Pad. De openbare ruimte is hier erg ruim en groen opgezet.

De Bossche Pad (Eikendonk)

De Bossche Pad (Eikendonk) is onderdeel van de eerste stadsuitbreiding aan de noordoostkant van de binnenstad, tezamen met de Hinthamerpoort en de Indische Buurt. De langgerekte driehoekige vorm van Eikendonk komt voort uit de reservering voor de omlegging van de Zuid-Willemsvaart langs de Bossche Pad. Deze omlegging is echter nooit gerealiseerd. Het Uitbreidingsplan 'Bossche Pad' (1918) voorzag met name in arbeiderswoningbouw.

De eerste bebouwing kwam complex-gewijs tot stand. Deze complexen bestaan gedeeltelijk uit beneden- en bovenwoningen, waardoor met laagbouw een grote woningdichtheid is bereikt. De woningen zijn opgetrokken met experimentele bouwsystemen in beton, ingegeven door een gecombineerde gemeentelijke politiek van woningbouw en werkvoorziening. Later zijn de woningen voorzien van stucwerk of baksteen. Na 1924 zijn de resterende bouwblokken op traditionele wijze gebouwd, veelal met pandsgewijze bebouwing in de particuliere sector. Eind jaren '70 van de vorige eeuw zijn de complexen in De Bossche Pad in het kader van de stadsvernieuwing aangepakt. Het complex aan de westkant is gesloopt en vervangen voor nieuwbouw. In dezelfde periode zijn de complexen rond het Eikendonkplein gerenoveerd en is een groot deel van het complex bij de Eindstraat in kleine eenheden verkocht aan particulieren.

De Bossche Pad was aangewezen als aandachtsgebied in het kader van het GSB-beleid ter verbetering van de sociale, economische en ruimtelijke structuur. In 2011 is gestart met een grootschalige herstructurering van de buurt. In 2011 zijn 160 huurwoningen van BrabantWonen gesloopt (met uitzondering van de woningen aan de Oostwal). In 2012 is gestart met de bouw van nieuwe huur- en koopwoningen. De laatste nieuwbouw is in 2016 opgeleverd. Daarnaast heeft een herinrichting van de openbare ruimte plaatsgevonden. Het nieuwe Eikendonkplein springt in het oog. Het wordt niet alleen gebruikt als plein voor de buurtbewoners. Het doet ook dienst als 'waterplein'. Dit houdt in dat het kan worden gebruikt als waterreservoir bij zware regenbuien, om zo het riool te ontlasten.

Aawijk-zuid

De Aawijk-zuid ligt ten oosten van de binnenstad van 's-Hertogenbosch. De Aawijk-zuid ligt ingesloten tussen de Aa (noordzijde) en Zuid-Willemsvaart (zuidzijde). In het oosten wordt de Aawijk-zuid begrensd door de A2 en aan de westzijde wordt het gebied begrensd door de buurt Grevelingen. Het zuidelijk deel van de Aawijk-zuid, grenzend aan de Zuid-Willemsvaart, heet de Indische buurt. De Indische buurt is het eerste deel van de Aawijk-zuid dat is gerealiseerd in de jaren '30 van de vorige eeuw. De Indische Buurt bestaat uit een aantal gelijkvormige straten met rijtjes woningen afgerond door bebouwing aan de Zuid-Willemsvaart. De bouwblokken vormen, mede door de toegepast architectuur, een herkenbare eenheid.

Het gebied tussen de Indische buurt en de Rijnstraat is gerealiseerd tussen 1945 en 1960. De rest van de Aawijk-zuid is in de jaren '60 integraal gerealiseerd met het sport- en recreatiegebied Oosterplas. De bebouwing kent hier een vrij open structuur. Tussen de bebouwing is er ruimte voor groen en pleintjes.

In de ruimtelijke opzet van de buurt kan het buurtwinkelcentrum Rivierenplein worden gezien als de centrale ontmoetingsplek in de wijk, die de verschillende buurten met elkaar verbindt. De voorzieningenstrook die vanaf het Rivierenplein richting de Oosterplas loopt is markant. Het vormt een uitzondering op het voornamelijk noord-zuid georiënteerde stratenpatroon van de rest van Aawijk-Zuid.

De Oosterplas is als sport- en recreatiegebied in de jaren '60 van de vorige eeuw gerealiseerd. Rondom de plas zijn diverse sport- en recreatievoorzieningen gehuisvest. De Oosterplas neemt een groot deel van de Aawijk in beslag. Rond de Oosterplas is veel groen aanwezig. Daardoor kent de Aawijk in zijn geheel een hoog percentage groen.

Zorgcentrum Hintham, IJzeren kind en omgeving

Het Ijzeren kind is een plas met een grote uitstraling naar de omgeving. Rondom de plas is een parkzone met grote bomen aanwezig. Aan de noordwestzijde en zuidoostzijde grenst het park aan een doorgaande routes van de Jan Heijmanslaan en Vincent van Goghlaan. Langs de zuidwestzijde is een wandelpad gelegen. Aan de zuidkant ligt een waterbergende voorziening. Aan de noordzijde van de plas staan drie grondgebonden woningen bestaande uit twee bouwlagen met plat dak die aan de Jan Heijmanslaan liggen. Ten oosten van deze grondgebonden woningen staat een appartementengebouw bestaande uit vier bouwlagen met plat dak.

Aan de oostzijde van de plas ligt het zorgcentrum Hintham dat in 2011 is opgeleverd. Deze bebouwing bestaat als het ware als uit drie "vingers". Deze bebouwing is drie bouwlagen aan de zijde van de Vincent van Goghlaan, aan de zijde van het Ijzeren kind bestaat de bebouwing vanaf het noorden gezien uit vijf, zeven respectievelijk zes bouwlagen.

Graafseweg 354-358

De bebouwing aan de Graafseweg 354-358 betreft een bedrijfscomplex met een showroomachtige uitstraling. Het complex is samengesteld uit verschillende onderdelen. Eén van deze onderdelen betreft de oorspronkelijke woning die op deze kavel stond. In de loop van de jaren zijn verschillende volumes aan deze woning toegevoegd. Vrij recent is een gedeelte gesloopt. Het betreft het deel dat – vanuit de Graafseweg geredeneerd – aan de achterzijde van het perceel ligt. In 2015 is hier een nieuw bouwvolume (appartementen) gerealiseerd dat bestaat uit twee bouwlagen en plat dak. Deze woningen zijn georiënteerd op de Vliertsesteeg.

2.3 Groen- en waterstructuur

Groen

Het groen in en om de stad 's-Hertogenbosch verhoogt de leefbaarheid in de stad en heeft een recreatieve functie voor de bewoners. De Bossche Buitens vormen de belangrijkste elementen van de groenstructuur in het buitengebied van 's-Hertogenbosch. De stedelijke groenstructuur bestaat uit lange lijnen (droog en nat) die door de stad lopen naast brede of grotere groenplekken, zoals de parken en zandwinplassen. In het plangebied is een dergelijke groene route aanwezig. Deze bevindt zich tussen de Aawijk en Graafsewijk en loopt langs de Aa richting het oosten naar de Bossche Buitens. Naast deze hoofdgroenstructuur bevindt zich weinig groen in het plangebied. Het grootste deel van het groen bevindt zich rondom het Ijzeren kind en de Oosterplas. Verder komen er in de verschillende buurten her en der groenelementen voor.

Bomen

In het plangebied komen verschillende monumentale bomen voor. Zo staan er monumentale bomen in het groen rondom de Oosterplas: drie zilveresdoornen bij de kinderboerderij en een haagbeuk. Er staat een groepje van zeven monumentale valse acacia's aan de Sumatrastraat. Langs de Zuid-Willemsvaart staan rondom de Lambooijbrug twee witte paardenkastanjes, een gewone linde en een Italiaanse populier aan de Maastrichtseweg. Ook langs de Aa zijn monumentale bomen te vinden: twee gewone essen aan de noordzijde ter hoogte van de Acaciasingel en twee schietwilgen aan de zuidzijde van de Aa en een Italiaanse populier aan De Bossche Pad. Verder staan in de wijken nog enkele losse monumentale bomen, zoals een gewone plataan aan de Lagelandstraat, een Italiaanse populier in het groen aan de Jordaensstraat tussen de appartementen, een Noorse esdoorn en een gewone esdoorn (achtertuin) en een gewone plataan (achtertuin) aan de Graafseweg, een dubbelbloemige paardenkastanje aan de Van Broeckhovenlaan, een Italiaanse populier aan de Boterweg, een pluimiep aan de Kamperfoeliestraat in het plantsoen en twee witte paardenkastanjes aan de Van Grobbendoncklaan.

Daarnaast zijn binnen het plangebied verschillende beschermde boomstructuren gelegen. De hoofdstructuur binnen het plangebied ligt op de Merwedelaan en Graafseweg. Overige hoofdontsluitingen binnen het plangebied zijn de Van Broeckhovenlaan en Maastrichtseweg. De Van Grobbendoncklaan, Pater van de Elsenstraat en Boterweg - Jasmijnstraat zijn als waardevolle boomstructuren aangewezen.

Water

Water is één van de belangrijkste dragers van 's-Hertogenbosch. In het plangebied gaat het om de belangrijke waterstructuren Aa en Zuid-Willemsvaart en de zandwinplassen IJzeren kind en Oosterplas. De Zuid-Willemsvaart loopt dwars door de stad en doorsnijdt het noordelijk deel van de binnenstad en vormt de zuidelijke grens van het bestemmingsplangebied. De Aa loopt dwars door het gebied heen en vormt de grens tussen de Graafsewijk en de Aawijk en tussen de wijken Graafsepoort en Zuidoost. De vele zandwinplassen zijn kenmerkend voor 's-Hertogenbosch. Ze komen op verschillende plekken in en buiten de stad voor. In het oosten van het plangebied liggen twee zandwinplassen: het IJzeren kind en de Oosterplas.

2.4 Verkeersstructuur en parkeren

Verkeersstructuur

Het gebied Graafsewijk - Aawijk heeft een goede auto-ontsluiting op de hoofdinfrastructuur. De Maastrichtseweg sluit aan op de op- en afritten van de A2. De Merwedelaan, Lagelandstraat en Van Grobbendoncklaan zijn eveneens belangrijke invalswegen voor de stad. Deze wegen hebben een wijkoverstijgende functie. In de Koersnota Hoofdinfrastructuur zijn deze wegen aangewezen als 'doorstroomas'. Een doorstroomas vangt als eerste het verkeer van de 'Ruit' op en zorgt er vervolgens voor dat het verkeer zich verdeelt over de verschillende wegen in de Bossche wijken. Naast dat deze wegen een belangrijk stroom- en verbindende functie hebben, ontsluiten zij ook de Aawijk en Graafsewijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0003.jpg"

Afbeelding 2.2 Wegenstructuur 's-Hertogenbosch

Op buurt- en wijkniveau zijn de wegen Oostwal, Graafseweg, Hintham, Rijnstraat, Geulweg, Dr. Poelstraat en Van Broeckhovenlaan gecategoriseerd als gebiedsontsluitingswegen (50 km/uur). Ook deze wegen hebben een belangrijke ontsluitende functie voor de Aawijk en Graafsewijk. Deze wegen vormen niet alleen belangrijke autoverbindingen maar zijn ook belangrijk voor fiets- en openbaar vervoersverbindingen.

Het ontvlechten van de hoofdinfrastructuur voor de fiets, het openbaar vervoer en de auto is een van de speerpunten uit de Koersnota. Alsook het verbeteren van de doorstroming op de doorstroomas Lagelandstraat - Van Grobbendoncklaan.

Concrete plannen of ingrijpende infrastructurele ontwikkelingen zijn op dit moment niet te verwachten. De Maastrichtseweg is aangeduid als een doorstroomas. Ook de Merwedelaan - Lagelandstraat - Van Grobbendoncklaan is een doorstroomas. De overige straten in het plangebied zijn erftoegangswegen en onderdeel van een 30 km/uur regime. In 2014/2015 is de Maastrichtseweg tussen de Lambooijbrug/Merwedelaan en de Oostwal heringericht. Deze weg maakt nu ook onderdeel uit van een 30 km/uur zone. De Maastrichtseweg is getransformeerd tot fietsstraat en is ter hoogte van de buurt De Bossche Pad (Eikendonk) geknipt voor het doorgaande gemotoriseerde verkeer. Verkeer richting het centrum wordt afgewikkeld via de doorstroomas Merwedelaan.

Fietsnetwerk

De doorstroomas en de gebiedsontsluitingswegen maken onderdeel uit van het fietsnetwerk. De fietsvoorzieningen op deze wegen worden en zijn op een kwalitatief hoogwaardig niveau ingericht.

Binnen het plangebied ligt een deel van een sternetroute, namelijk van de route noord-zuid route oostelijk langs de binnenstad. Die loopt via de Pater van den Elsenstraat. Overige hoofdfietsroutes binnen het plangebied zijn: de Graafseweg, Rijnstraat, Maastrichtseweg en Van Grobbendoncklaan - Lagelandstraat - Merwedelaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0004.jpg"

Afbeelding 2.3 Fietsnetwerk 's-Hertogenbosch-oost

De fietsverbinding langs de Oosterplas en de Aa, tussen de Rijnstraat en de flats aan de Herman Moerkerklaan (1 op afbeelding 2.3) is op dit moment nog een ontbrekende schakel. Hier ligt de wens om een goede fietsverbinding aan te leggen. De ontbrekende schakel tussen de Van Grobbendoncklaan en Graafseweg (2 op afbeelding 2.3) is inmiddels gerealiseerd. De fietsverbinding 's-Hertogenbosch – Veghel aan de zuidzijde van de Zuid-Willemsvaart wordt in 2017 afgemaakt. In 2016 is het gedeelte tussen Veghel en het bedrijvencentrum de Poeldonk verbeterd.

Openbaar vervoer

De Graafsewijk en Aawijk worden ontsloten door de buslijnen 1, 11 (Centraal Station – Aawijk), 3 (Centraal Station – Rosmalen) en lijn 70 (transferiumbus). De ambitie uit de Koersnota Hoofdinfrastructuur is het terugdringen van het aandeel auto in de vervoermiddelkeuze (model split) en het bevorderen van het fiets- en openbaar vervoer (OV) gebruik. In 2015 is om die reden de buslijn naar de Groote Wielen en Rosmalen (lijn 3) directer geworden. Daarnaast is vanaf 2012 het openbaar vervoer toegankelijker gemaakt. De bushaltes in de Aawijk en Graafsewijk zijn aangepast waardoor het voor mensen met een fysieke beperking makkelijker is geworden om van het OV gebruik te maken.

Parkeren

De openbare ruimte binnen het plangebied is vooral ingericht voor rijdende en geparkeerde auto's. De parkeerdruk in de buurten Hinthamerpoort-zuid en de omgeving van de Waalstraat / Dommelstraat is hoog vergeleken met de overige gebieden. In deze buurten is er sprake van een parkeerprobleem. Om de parkeerdruk in het plangebied te verlichten is in de loop der jaren op verschillende extra parkeerplaatsen aangelegd. Door het toenemende autobezit komt het parkeren steeds meer onder druk te staan. In de omgeving van de Maastrichtseweg / Oostwal (De Bossche Pad / Eikendonk) is inmiddels een parkeervergunningsregeling ingevoerd.

2.5 Functionele structuur

Het plangebied bestaat uit verschillende woonbuurten. Daarbij is wel sprake van functiemenging. De wijken hebben een eigen winkelcentrum en voorzieningen.

Wonen

Het grootste deel van het plangebied bestaat uit woningen. In de woonbuurten van Graafsewijk - Aawijk binnen het plangebied staan ongeveer 6.000 woningen (per 1-1-2016) en er wonen ongeveer 12.500 inwoners. In het plangebied zijn grote verschillen in de samenstelling van de woningvoorraad. In de Aawijk-noord, Graafsebuurt-noord en Graafsebuurt-zuid staan voornamelijk huurwoningen; in de Aawijk-zuid staan relatief veel koopwoningen. Circa de helft van het aantal woningen in het plangebied is in beheer bij de woningcorporaties.

Een bijzondere positie in dit plangebied vormen de buurten De Bossche Pad (Eikendonk) en Hinthamerpoort-zuid (Barten-zuid).

De Bossche Pad is de afgelopen jaren (tot 2015) grotendeels gesloopt en herbouwd. De huurwoningen van woningstichting BrabantWonen zijn in fasen vervangen door nieuwe woningen. Er zijn zowel grondgebonden woningen als appartementen terug gebouwd. Het grootste deel van de nieuwe woningen zijn sociale huurwoningen. Daarnaast is er een aantal koopwoningen, een commerciële ruimte en een buurthuiskamer – het Eikenhonk - voor buurtbewoners gerealiseerd.

Hinthamerpoort-zuid is een aandachtsbuurt. De meeste woningen zijn eengezinswoningen. Daarnaast staan er in de wijk enkele tientallen portiek-etage-woningen. Grofweg zijn de woningen te verdelen in twee leeftijdsgroepen: grondgebonden woningen en appartementen uit het begin van de vorige eeuw (1911 - 1919) en grondgebonden woningen en appartementen uit het begin van de jaren tachtig.

In tegenstelling tot andere aandachtsbuurten heeft BrabantWonen besloten om in Hinthamerpoort-zuid geen woningen te slopen. In 2013 is BrabantWonen, samen met de gemeente, begonnen om de woningen in deze buurt op te knappen, waardoor de levensduur van deze woningen met 25 jaar wordt verlengd. Tegelijkertijd heeft de gemeente de openbare ruimte in deze buurt aangepakt. De werkzaamheden zijn in 2016 afgerond. Dankzij deze aanpak verbeteren zowel het woon- als het leefcomfort in deze wijk.

In het plangebied bevinden zich naast de reguliere woningen ook een aantal bijzondere woongebouwen, waaronder de woonzorgcomplexen Grevelingen en Oosterhof. Woonzorgcomplexen kenmerken zich door de combinatie van woon-, zorg- en welzijnsvoorzieningen. Het wonen is hierbij de hoofdfunctie. De zorg- en welzijnsvoorzieningen zijn ondersteunend. Gezien deze bijzondere woonvorm zijn niet-woonfuncties mogelijk indien deze de woonfunctie ondersteunen. Dit betekent dat kleinschalige detailhandel, dienstverlening of horeca-activiteiten hierbij mogelijk zijn (bijvoorbeeld een apotheek, fysiotherapeut, tandarts, winkel in dagelijkse artikelen, kapper). De omvang van deze voorzieningen mag niet zodanig zijn dat de hoofdfunctie wonen wordt belemmerd of ondergeschikt wordt.

Maatschappelijke voorzieningen

In de wijken zijn verschillende voorzieningenstroken. In deze stroken zijn verschillende maatschappelijke voorzieningen geconcentreerd, zoals wijkcentra, peuteropvang, kinderdagverblijven, onderwijs, medische voorzieningen en religieuze voorzieningen. In de Aawijk-zuid gaat het om een gebied tussen de Rijnstraat en Waalstraat (ten oosten van het Rivierenplein). Daarnaast ligt in de Aawijk-zuid een voorzieningencluster in de vorm van een woonzorgcomplex tussen de Rijnstraat en de Aa, alsook in Grevelingen.

In de Graafsebuurt-noord gaat het om de voorzieningenstrook tussen de Lucas van Leijdenstraat en de Elzenstraat (onderwijs- en sportvoorzieningen). Ook ligt er verspreid over het plangebied een aantal voorzieningen. Deze voorzieningen hebben vaak een buurt-/wijkverzorgend karakter.

Bedrijven en werkgelegenheid

In het plangebied liggen nog enkele bedrijven. In de Aawijk-zuid gaat hem om bedrijfjes in de Dommelstraat en Volkerakstraat. Daarnaast liggen er verspreid over het plangebied enkele bedrijven: aan de Graafseweg, Boterweg, Cypresstraat en Rijnstraat.

Aan huis gebonden bedrijven en beroepen

Verspreid in de Graafsewijk en Aawijk komt een aantal kleine bedrijven voor. Deze aan huis gebonden bedrijven en beroepen zijn divers van aard. Globaal kunnen de volgende vormen worden onderscheiden:

  • a. de vrije beroepen, zoals huisarts, tandarts en dierenarts.
  • b. de aan huis gebonden beroepen zijn de overige beroepen, waarbij bewoners een beroep of praktijk uitoefenen (al dan niet met publieksaantrekkende werking), waarbij de volwaardige woonfunctie gehandhaafd blijft. Voorbeelden zijn: reclame- en adviesbureau, vertaler, assurantiekantoor, kapper, schoonheidsspecialist en pedicure.
  • c. Overige vormen van bedrijvigheid. In deze categorie vallen bouw- en installatiebedrijven, loodgieter, stukadoor, tegelzetter, stratenmaker, schilder, meubelstoffeerder, schoonmaakbedrijf etcera. Veel van deze activiteiten vinden buiten de woonwijk plaats, maar de bedrijven worden vanuit de woning aangestuurd.

Detailhandel

Binnen het plangebied functioneren twee winkelcentra: het Mgr. Van Roosmalenplein en het Rivierenplein. Daarnaast komt er verspreid in het plangebied detailhandel voor, met name langs de stedelijke en wijkverbindingsassen.

Horeca

Verspreid in het plangebied zijn diverse horecavestigingen aanwezig. Deze bevinden zich met name aan de belangrijke routes en in het winkelcentrum.

Kantoren

De belangrijkste kantoren in de Aawijk zijn te vinden langs de Rijnstraat, waaronder in de voorzieningenstrook tussen de Rijnstraat en Waalstraat. In de Graafsewijk vinden we een tweetal kantoorverzamelgebouwen; het Pieter Breughelhuis (Grobbendoncklaan), Hinthamerpark (Graafseweg) en het kantoor van de stichting Divers (Rogier van der Weijdenstraat). Naast de grotere kantoren komt er in het plangebied verspreid een aantal kleinere kantoorpanden voor.

Sport en recreatie

In het plangebied bevinden zich diverse voorzieningen voor sport en recreatie, bijvoorbeeld aan de Rijnstraat, Waalstraat en Elzenstraat. Rondom de Oosterplas ligt een groot aantal sport- en recreatievoorzieningen. Hier zijn een tennisvereniging en een hockeyclub gevestigd en andere voorzieningen zoals een kinderboerderij, een strandpaviljoen en een zeilsportvereniging.

Rivier de Aa stroomt dwars door het plangebied. Deze heeft zowel een ecologische als een recreatieve functie. Vissers, kanoërs en roeiers maken gebruik van het water. Daarnaast liggen er roeiboten en kleine plezierjachten tegen en op de oevers. Aan de Maassingel ligt het clubhuis en de botenberging van de kanovereniging.

2.6 Cultuurhistorie

Landschappelijke informatie

Het bestemmingsplangebied ligt landschappelijk gezien in het dekzandlandschap. Het dekzandlandschap is ontstaan tijdens de laatste ijstijd (120.000 - 10.000 jaar geleden). Hoewel er in deze ijstijd geen landijsbedekking in Nederland was, was het er wel zeer koud. In de laatste fase van de ijstijd was er sprake van zeer droge omstandigheden en ontbrak de vegetatie. Hierdoor konden grote hoeveelheden zand door de wind worden verplaatst. Op deze manier ontstond een reliëfrijk dekzandlandschap bestaande uit hoge dekzandkoppen en ruggen en lager gelegen dekzandwelvingen en vlakten. Na afloop van de ijstijd werd het klimaat warmer en zorgde de begroeiing ervoor dat het bestaande dekzandlandschap werd vastgelegd. Door het smelten van het landijs steeg de zeespiegel. Als gevolg hiervan steeg ook de grondwaterspiegel waardoor de lagere delen van het dekzandlandschap zeer nat werden en er veen kon gaan groeien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0005.jpg"

Afbeelding 2.4 Landschapskaart met in rood de globale grens van het bestemmingsplangebied. 1. Dekzandrug of kop, 2. Dekzandvlakte, 3. Loop van de Aa, 4. Veen.

Het bestemmingsplangebied ligt hoofdzakelijk in de laaggelegen dekzandvlakten. Aan de uiterste noordkant bevindt zich een langgerekte dekzandrug waarop Hintham ligt. Deze dekzandrug maakt onderdeel uit van een hele reeks van dekzandruggen die zich richting het oosten uitstrekt tot aan Oss. Aan de westkant van het plangebied ligt een geïsoleerde dekzandkop die wordt aangeduid als de Baseldonk. De naam 'donk' verwijst naar een zandopduiking. In dit specifieke geval verwijst de naam naar het klooster van de Baselaars dat op deze plek lag. Dergelijke hoge koppen in een verder laaggelegen en moerassig gebied waren aantrekkelijke plaatsen voor bewoning. Ook ten zuiden van het bestemmingsplangebied lag een donk, de Eikendonk. Ook op deze dekzandkop lag een klooster dat aanvankelijk toebehoorde aan de karthuizers.

Door het plangebied loopt de rivier de Aa. De opvallend rechte loop van de rivier doet vermoeden dat deze niet natuurlijk is maar helemaal duidelijk is dit niet. Op een bodemkaart uit 1954 lijkt sprake van een breed beekdal waarin veel kleiige en venige zones liggen. Ook zijn enkele tientallen kleine dekzandkopjes gekarteerd die net boven de klei en het veen uitstaken

Voor de ontwikkeling van de woonwijken in Aawijk-noord en Aawijk-zuid is vanaf 1958 begonnen met het ophogen van het gebied. Hiervoor is zand gewonnen uit de toen ontstane Oosterplas. De maaiveldhoogte vóór de ophoging lag op circa 2,55 m +NAP. Na ophoging bedroeg de maaiveldhoogte circa 5,7 m +NAP. Er bevindt zich in deze gebieden dus een ophogingspakket van ruim 3 meter dik. Alleen rond de Oosterplas is de ophoging beperkt gebleven tot circa 1 meter. Voorafgaand aan de ophoging zijn ter plaatse van de wegcunetten van de toekomstige woonwijk veenlagen weggegraven om zetting te voorkomen.

Bewoningsgeschiedenis

Op basis van de ontwikkeling van het landschap kan de bewoning in het plangebied teruggaan tot in de Oude en Midden Steentijd (respectievelijk Paleolithicum en Mesolithicum). Het dekzandlandschap was tijdens warmere fasen aantrekkelijk voor rondtrekkende jagers en verzamelaars. Het reliëfrijke landschap bood in deze perioden namelijk een grote rijkdom aan zoogdieren, vis, vogels, vruchten en water. Vermoedelijk leefden de jagers en verzamelaars in kleine kampementjes en van de sporen die ze hebben achtergelaten zijn vaak alleen de vuurstenen artefacten bewaard gebleven. Dergelijke vuursteenvondsten zijn echter (nog) niet aangetroffen in het bestemmingsplangebied. In de Nieuwe Steentijd (Neolithicum) trokken de mensen niet langer door het landschap als jagers en verzamelaars maar ging men geleidelijk over naar een bestaan als landbouwer en veehouder. Er ontstonden vaste nederzettingen met boerderijen, erven en akkers. In deze periode werd voor het eerst aardewerk gemaakt en gebruikt. Uit het plangebied en de directe omgeving zijn geen sporen uit het Neolithicum bekend. Mogelijk was de vruchtbaarheid van de bodem nog onvoldoende goed ontwikkeld maar het is ook mogelijk dat de vindplaatsen nog niet zijn ontdekt. Uit de Bronstijd - de periode na het Neolithicum - zijn ook nog geen bewoningssporen in het plangebied gevonden. Vermoedelijk heeft dit ook te maken met het feit dat in deze periode de relatief laaggelegen gebieden steeds natter werden. In deze omstandigheden begon veen te groeien en dit veenpakket bedekte al snel ook de hogere delen in het landschap. Door de groei van het veen werd het bewoonbare areaal veel kleiner. De oudste bewoningssporen uit het plangebied dateren uit de IJzertijd. Het betreft enkele aardewerkscherven die vermoedelijk tevoorschijn zijn gekomen tijdens het opspuiten van het zand uit de Oosterplas. De precieze herkomst van de scherven is dus niet bekend maar het is aannemelijk dat ze afkomstig zijn van een vindplaats ter hoogte van de Oosterplas.

Het merendeel van de archeologische vondsten uit het plangebied dateren uit de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd (vanaf 1050 jaar na Chr. tot en met nu). Het meest opvallend is hierbij de ligging van het klooster van de Baselaars op de Baseldonk. De Baseldonk lag dichtbij de stad, vlakbij de rivier de Aa. Al voor 1200 werd hier door Winaldus van Basel een gemeenschap gesticht van kluizenaars. In 1205 werd deze gemeenschap omgevormd tot klooster van De Heilige Maagd bij de Hemelse Poort (Porta Coeli). In 1244 of 1245 sloot de gemeenschap zich aan bij de orde van de Wilhelmieten. In 1526 telde het klooster 24 bewoners. Na een keizerlijk bevel van Karel V in 1542 moest het klooster gesloopt worden om te voorkomen dat er zich vijandelijke troepen in zouden verschansen. In 1543 kochten de Wilhelmieten een gebouw op de Windmolenberg binnen de stad, waar ze een nieuw klooster stichtten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0006.png"

Afbeelding 2.5 Archeologische verwachtingenkaart met in rood de globale grens van het bestemmingsplangebied. 1. Zone met een hoge verwachting, 2. Zone met een middelhoge verwachting, 3. Zone met een lage verwachting, 4. Verdedigingswerken van de stad, 5. Locatie Sint-Albertusschans 6. Stellingwerken 1629

Langs de weg naar Hintham werd in 1597 een schans aangelegd: de Sint Albertusschans (zie nr. 261 op afbeelding 2.5). Deze lag vermoedelijk ter plaatse van de natuurlijke hoogte De Bult. De schans wordt alweer in 1623 geslecht. Bij de belegering van de stad door de Fransen in 1794 wordt de Bult opnieuw gebruikt als stelling voor de belegeraars. Ten oosten van de voormalige Sint-Albertusschans heeft de Anthoniuskapel gestaan (nr. 269 op afbeelding 2.5). Deze kapel wordt in 1520 voor het eerst genoemd en voor het laatst in 1713.

Een opvallend element dat in het plangebied aanwezig is, zijn de resten van de Stelling 1629. In 1629 wordt de belangrijke vesting 's-Hertogenbosch voor een derde maal belegerd door Staatse troepen, dit maal onder bevel van Frederik Hendrik. De stad dankt haar strategische positie aan haar ligging te midden van veel lager gelegen gebieden, die gemakkelijk onder water te zetten zijn. Hierdoor wordt de vesting als vrijwel onneembaar geacht. Eind april 1629 begint Frederik Hendrik met het beleg van de stad. De belangrijkste rivieren: de Dommel en de Aa worden afgedamd zodat de wateraanvoer voor de inundatie wordt afgesneden. Vervolgens legt hij in een ruime boog rond de stad een dubbele linie aan, bestaande uit een zogenaamde circumvallatielinie en een contravallatielinie. Beide linies bestonden uit een stelsel van wallen of dijken van ongeveer 1,80 meter hoog en grachten van 8 tot 11 meter breed. Op strategische plaatsen was de linie versterkt met schansen en batterijen. De manschappen waren ondergebracht in zes grote kampementen of kwartieren. Een van die kwartieren lag direct ten noorden van het plangebied: het Kwartier van Ernst Casimir in Hintham. Voor het uitvoeren van al het grondwerk werden duizenden boeren gerekruteerd uit Holland, het rivierengebied en de Veluwezoom. Vanuit de contravallatielinie werden op strategische plaatsen loopgraven gegraven richting de stad en richting de schansen die bij de stad hoorden. In het noordwesten van het plangebied lagen loopgraven tussen Hintham en de Hinthamerpoort. Bij het opwerpen van de linies werd zoveel mogelijk gebruik gemaakt van reeds bestaande dijken en hoogtes. Uiteindelijk was de gehele operatie succesvol en op 14 september 1629 viel de stad na een beleg van ruim vier maanden. Vermoedelijk zijn de meeste linies kort na het beleg geëgaliseerd om te voorkomen dat ze opnieuw zouden worden gebruikt door een ontzettingsleger. Op enkele plaatsen zijn echter nog lang sporen zichtbaar geweest in het verloop van dijken, de percelering of het slotenpatroon. In het noordwesten van het plangebied zijn de loopgraven van 1629 bedekt onder een drie meter dikke ophogingslaag. De resten van de Stelling die aan de oostkant van het plangebied lopen, liggen vermoedelijk onder 1 meter ophoging met zand uit de Oosterplas.

Archeologische waarden en verwachtingen

De archeologische waarden en verwachtingenkaart omvat naast de reeds bekende archeologische vindplaatsen ook een overzicht van de gebieden waar archeologische vindplaatsen verwacht kunnen worden, de zogenaamde verwachtingsgebieden. Deze verwachtingsgebieden worden opgesteld door gebruik te maken van informatie over de ondergrond en het landschap in combinatie met archeologische en historische informatie. Op deze manier kan een onderscheid worden gemaakt in gebieden met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting. Gebieden waar geen archeologische resten meer verwacht worden omdat bijvoorbeeld de bodem reeds sterk verstoord is of omdat de archeologische resten zijn opgegraven, hebben geen archeologische verwachting. Hoewel getracht wordt de (begrenzingen van) archeologische verwachtingen zo nauwkeurig mogelijk te bepalen, blijft het een relatief grove kaart. De verwachtingsgebieden geven op hoofdlijnen aan in welke mate men met mogelijke archeologische resten rekening moet houden. Of er ook daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, zal gericht archeologisch onderzoek moeten uitwijzen.

Voor het plangebied geldt dat de hoge dekzandkoppen en ruggen een hoge archeologische verwachting hebben (zie afbeelding 2.5). De lagere delen van het dekzandgebied, zoals de flanken van de dekzandruggen, hebben een middelhoge archeologische verwachting. De laagste delen van het dekzandlandschap, de dekzandvlaktes, hebben een lage archeologische verwachting.

Op basis van historisch kaartmateriaal kunnen in het plangebied ruwweg twee historische kernen worden onderscheiden. De begrenzing van deze zones is bepaald op basis van de kadastrale minuutkaart uit circa 1832. Op de kaart van 1832 zijn in het plangebied geïsoleerde huisplaatsen en erven te zien die langs de doorgaande wegen liggen. De kaart van 1832 is echter een momentopname. Hoe de bewoning er vóór 1832 heeft uitgezien is onbekend. Voor het bepalen van de historische kern is er van uitgegaan dat de zone direct langs de doorgaande wegen de meest kansrijke zone is voor het aantreffen van sporen van bewoning. Daarom is aan weerszijden van de doorgaande wegen een buffer aangegeven waarbinnen de verwachting op het aantreffen van historische bebouwing hoog is. De breedte van de buffer is bepaald door de globale diepte van de bewoonde percelen van 1832.

Eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen uit de periode Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen bevinden zich in de top van het dekzand. Deze top ligt naar verwachting, afhankelijk van het dekzandreliëf en de dikte van een bouwvoor en plaggendek, tussen 0,3 en 1,0 meter beneden het maaiveld. Sporen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kunnen aan of direct onder het maaiveld voorkomen, of op enige diepte in het plaggendek.

Voor het hele plangebied geldt dat door (oudtijdse) ontzandingen, de aanleg van kelders, regulier grondgebruik en grootschalige ruilverkavelingen sterke verstoringen van de ondergrond kunnen hebben plaatsgevonden. De verstoring van de bodem is lokaal en soms zelfs per perceel bepaald. Met name hogere dekzandkoppen zijn hierbij vaak sterk aangetast waardoor van archeologische vindplaatsen alleen nog dieper ingegraven grondsporen bewaard zijn gebleven. Op de flanken van de dekzandkoppen kunnen echter nog wel intacte vindplaatsen aanwezig zijn. In gebieden die zijn afgedekt door een plaggendek kunnen vindplaatsen in de top van het dekzand verstoord zijn geraakt door de eerste aanleg van de akkers. De geleidelijke ophoging zal echter na verloop van tijd tevens als een beschermende buffer voor bodemingrepen, zoals ploegen, hebben gefungeerd zodat onder het plaggendek nog relatief intacte bewoningssporen zijn te verwachten.

Overige cultuurhistorische elementen

Ook de overige cultuurhistorische aspecten van het plangebied zoals historisch geografische elementen moeten in het bestemmingsplan worden betrokken. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft hiertoe voor de hele gemeente een inventarisatie van zichtbare cultuurhistorische elementen/relicten laten uitvoeren. De gemeente is ook voornemens om de cultuurhistorische inventarisatie uit te werken in een cultuurhistorisch beleid. Vooruitlopend hierop is voor het bestemmingsplan bekeken welke cultuurhistorische elementen van belang zijn (zie afbeelding 2.6). Op basis van historisch kaartmateriaal kan de bebouwing globaal in vier fasen worden ingedeeld:

  • voor 1832;
  • tussen 1832-1945;
  • tussen 1945-1960;
  • na 1960.

Hiermee is duidelijk de ontwikkeling en uitbreiding van de bebouwde kom door de tijd heen te volgen. De Graafseweg, Boterweg, Jasmijnstraat en de dijk langs de Zuid-Willemsvaart waren al in 1832 aanwezig en vormen dus de oude hoofdstructuur van het wegennet (zie afbeelding 2.6). Andere belangrijke structuren waren de Zuid-Willemsvaart en de rivier de Aa. Van de oorspronkelijke percelering is niets meer over. De bouw van de vele nieuwbouwwijken na 1960 en de daarbij ontstane Oosterplas domineren het beeld van dit gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0007.jpg"

Afbeelding 2.6 Cultuurhistorische inventarisatiekaart met in rood de globale grens van het bestemmingsplangebied. De paarse punten geven de locatie van de gebouwde monumenten aan: A. Bebouwing voor 1832; B. Bebouwing 1832-1945; C. Bebouwing 1945-1960; D. Bebouwing na 1960; E. Weg, voor 1832; F. Dijk voor 1832; G. Dijk na 1832; H. Kerk; I. Sluis 1; J. Water voor 1832; K. Water 1832-1960; L. Water na 1960

2.7 Bouwhistorie

Historisch stedenbouwkundig kader

Het plangebied bevat stedenbouwkundige structuren die op hoofdlijnen tot stand zijn gekomen in drie perioden:

  • 1. Middeleeuwen – circa 1900: uitvalsweg richting Hintham, straatweg naar Grave (Graafseweg);
  • 2. Vooroorlogse periode (1900 - 1940): ontwikkeling woningbouw Graafsewijk westelijk deel en De Bossche Pad (Eikendonk), aanleg Aartshertogenlaan (De Vliert), woningbouw westelijk deel, Hinthamerpark (gedeeltelijk);
  • 3. Naoorlogse periode (1945 - circa 1965): woningbouw Graafsewijk/Aawijk-zuid, Aartshertogenlaan (De Vliert) oostelijk deel, woningbouw Hinthamerpark (gedeeltelijk).

Monumenten

Binnen het plangebied zijn, uit de bovenstaande perioden, de volgende (gemeentelijke) monumenten gesitueerd:

  • Graafseweg 196 (circa 1900): woning (voormalige boerderij-tramhalte);
  • De Bossche Pad 49-73, Eindstraat 2-14, Maastrichtseweg 34-56 (1922): betonwoningen;
  • Lagelandstraat 17a-19a-19, Cederstraat 23 (1939): school;
  • 53rd Welsh Divisionplein - Aartshertogenlaan (1952): oorlogsmonument;
  • Rubensstraat 62 (1949-1951): kerk;
  • Graafseweg 194a (1949-1951): pastorie;
  • Palmboomstraat 26-28 (circa 1955): woningen;
  • Cypresstraat 28 (1955 - 1956): winkel (voormalige kantine, rijwielstalling);
  • Kamperfoeliestraat 23-23A (1955): woning architect;
  • Rijnstraat 230-270 (1965): woningen.

Het plangebied bevat uit de bovengenoemde perioden diverse voorbeelden van met name architectuurstromingen uit de 20e eeuw. De vroegste stroming (circa 1900) betreft een voormalige boerderij annex (stoom-)tramhalte Graafseweg 196 (“Boerke van Osch”), een herinnering vormend aan de oorspronkelijk open lintstructuur buiten de stad langs de straatweg naar Grave.

Uit de vooroorlogse periode een volkswoningbouw-complex (onder andere De Bossche Pad 49-73), uitgevoerd in een voor die tijd innovatieve betonsteen (later met baksteen bekleed) en een voormalige school aan de Lagelandstraat 17a-19 (1939) in een traditionalistische stijl, gerelateerd aan de architectuur van de “Delfse School”.

Het op het 53rd Welsh Divisionplein opgerichte oorlogsmonument aan de Aartshertogenlaan is uit de naoorlogse periode. Dit monument is ter herinnering aan de bevrijding van 's-Hertogenbosch in 1944 door de geallieerde troepen. De overige naoorlogse monumenten betreft zes monumenten c.q. monumentcomplexen uit de wederopbouwperiode. Variërend van puur traditionalistisch (kerk en pastorie) van architect A.J. Kropholler en de modernistisch-traditionalistische “shake hands”-stijl van Palmboomstraat 26-28 en Cypresstraat 28 (architect E. Nijsten), tot de zuivere Bossche school (woonhuis architect G. Wijnen, Kamperfoeliestraat 23-23a) en een bijzonder voorbeeld van functionalisme: een complex van vroege drive-in woningen met markante uitgebouwde balkons aan voorzijde uit 1965 (Rijnstraat 230-270, tegenover Oosterplas).

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Met deze structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid ten aanzien van:

  • 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. de ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. de ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. een efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • 6. een betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;
  • 7. het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen;
  • 8. het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s;
  • 9. de ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • 10. de ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. de ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. de ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd.

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' is in overeenstemming met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De actualisatie van het bestemmingsplan heeft in beginsel geen ontwikkelingen tot gevolg en treft geen nationale belangen.

3.2 Provinciaal beleid

De Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014 - is op 7 februari 2014 door Provinciale Staten van Noord-Brabant vastgesteld en op 19 maart 2014 in werking getreden. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie is in de partiële herziening doorvertaald in de regels van de Verordening ruimte 2014. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

De provincie vindt het belangrijk dat er in Noord-Brabant verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied. Om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Bij de opgave voor wonen en werken wordt het accent sterker verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructurering en het beheer van het bestaand stedelijk gebied.

In de Verordening ruimte 2014 zijn regels opgenomen waarvan de provincie het belangrijk vindt dat deze door iedere gemeente worden toegepast bij ruimtelijke besluiten.

Het plangebied van het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' ligt in bestaand stedelijk gebied en maakt onderdeel uit van stedelijk concentratiegebied.

3.3 Gemeentelijk beleid

Ruimtelijk beleid

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke Structuurvisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke Structuurvisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert de gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden en kansen voor ontwikkeling liggen. Er worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het ‘ruimtelijk motto’ van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

Aandacht voor de bestaande woningvoorraad is de komende jaren de belangrijkste opgave. Maar aanvulling van de bestaande voorraad blijft noodzakelijk als gevolg van bevolkingsgroei, gezinsverdunning en veranderende behoeften.

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' betreft een beheersplan en maakt in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk.

Woonbeleid

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Nota Wonen 2012 die op 11 september 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad. De ambitie voor het woonbeleid van 's-Hertogenbosch is het creëren van een evenwichtige woningmarkt met een gedifferentieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus zodat mensen naar tevredenheid in onze stad kunnen wonen en leven. Er wordt gestreefd naar een stad waar voldoende, betaalbare en passende woningen zijn en voldoende keuzemogelijkheden in gevarieerde en sterke buurten waarin mensen zich thuis kunnen voelen.

Een van de doelstellingen van dit woonbeleid is om de inwoners van de stad voldoende keuzemogelijkheden te bieden in de vorm van een gedifferentieerd woningaanbod met een eigen identiteit en karakter. Zowel in bestaande als in nieuwe wijken moeten mensen kunnen kiezen uit verschillende prijs- en kwaliteitsniveaus en verschillende woningtypen. Nieuwbouw, maar ook verbouw en herbouw kunnen worden ingezet om dit doel te bereiken.

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' betreft een beheersplan en maakt in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Bestaande woningen zijn positief bestemd.

Planmatige aanpak aandachtsbuurten

De buurten Hinthamerpoort-zuid (Barten-zuid) en De Bossche Pad (Eikendonk) zijn aandachtsbuurten. De aandachtsbuurten kenmerken zich door een opeenstapeling en concentratie van verschillende problemen op het gebied van leefbaarheid en veiligheid. Daardoor scoren zij vaak lager dan het stedelijk gemiddelde. De gemeente wil met een planmatige aanpak van aandachtsbuurten een duurzame positieve ontwikkeling van deze buurten bereiken, met het doel dat deze buurten meer richting het stedelijk gemiddelde ontwikkelen. In elke aandachtsbuurt wordt op basis van een integraal (fysiek, sociaal, veilig en economie), meerjarig plan gewerkt. De Buurt-/wijkmonitor zorgt daarbij voor de basisinformatie.

De vernieuwing van de buurt Hinthamerpoort-zuid conform het vastgestelde wijkverbeterplan nadert langzaamaan zijn voltooiing. De herinrichting van de openbare ruimte vindt fasegewijs plaats. De vernieuwing van de buurt De Bossche Pad is in 2016 afgerond.

De herinrichting van de openbare ruimte van deze aandachtsbuurten passen binnen de kaders van het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017'.

Detailhandelsbeleid

Op 11 oktober 2011 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de 'Nota detailhandel 's-Hertogenbosch 2011' vastgesteld. Het detailhandelsbeleid is restrictief ten aanzien van perifere, grootschalige detailhandelsvestigingen om overaanbod te voorkomen en om het goed functioneren van de binnenstad te waarborgen. Het beleid is ook restrictief in het verlenen van medewerking aan (grootschalige) uitbreiding van winkelcentra ter bescherming van de fijnmazige winkelstructuur.

De uitgangspunten van het detailhandelsbeleid zijn de volgende:

  • a. binnenstad: het primaat voor vestiging van grootschalige non-foodwinkelformules met niet-volumineuze artikelen (megastores) ligt bij de binnenstad.
  • b. periferie: streven naar clustering in winkelgebieden. Solitaire winkelvestiging en verspreide bewinkeling doen daaraan afbreuk.
  • c. winkelcentra in wijken: de fijnmazige, hiërarchische winkelstructuur voor de dagelijkse boodschappen moet in stand blijven; megasupermarkten verstoren die structuur.

Deze indeling volgt de lijnen van het drieslagmodel, gebaseerd op koopgedrag en koopmotief van de consument: recreatief winkelen (binnenstad), doelgericht winkelen (periferie), boodschappen doen (woonwijken).

Met het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' wordt detailhandel alleen binnen de twee bestaande winkelcentra en verder op bestaande plekken toegestaan. Verdere uitbreiding van de bestaande planologische mogelijkheden wordt hiermee niet toegestaan. Binnen het plangebied liggen de winkelcentra Mgr. Van Roosmalenplein en Rivierenplein. Binnen de winkelcentra is detailhandel overal toegestaan. Ook overige bestaande detailhandel langs verbindingsassen en in de buurten is specifiek bestemd. De detailhandel mag verkleuren naar bepaalde andere functies (zoals dienstverlening) binnen het winkelcentrum en langs de verbindingsassen. Daarnaast mag detailhandel naar wonen worden omgezet langs de verbindingsassen en in de woonbuurten. Dit is geregeld in de planregels van de verschillende bestemmingen.

Horecabeleid

In het Beleidsplan Horeca 1994 is aangegeven dat de mogelijkheden voor uitbreiding van het horeca-aanbod in de wijken buiten de binnenstad beperkt zijn. De bestaande horecabedrijven moeten in staat worden geacht aan de potentiële vraag te kunnen voldoen. In de woonbuurten binnen het plangebied wordt dan ook een consolidatiebeleid gevoerd.

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' legt bestaande horeca vast. Er worden geen nieuwe locaties met vestigingsmogelijkheden voor horecabedrijven toegevoegd. Bij de regeling is onderscheid gemaakt naar verschillende vormen van horeca.

Kantorenbeleid

Kantoren hebben een belangrijke werkgelegenheidsfunctie. De kantoorlocaties in 's-Hertogenbosch scoren gemiddeld goed. De ambitie van het kantorenbeleid is om een aantrekkelijke kantorenlocatie te blijven met een aanbod van kantoren dat goed aansluit bij de vraag van de gebruiker. De gemeente zet haar energie in langs vier samenhangende hoofdsporen:

  • 1. Stimuleren en faciliteren van herontwikkeling van bestaande kantoren op courante locaties;
  • 2. Stimuleren en faciliteren van transformatie of sloop van bestaande incourante kantoren;
  • 3. Restrictief zijn bij toevoegen van nieuwbouw aan de bestaande voorraad;
  • 4. Stimuleren van kwaliteit van kantorenlocaties op gebiedsniveau.

Alle locaties met kantoren zijn verder onderverdeeld in drie typen: groei, balans en krimplocaties. De verspreid liggende kantoren en overige kantoorlocaties (o.a. woonwijken) zijn getypeerd als krimpgebieden. In krimpgebieden wil gemeente transformatie, sloop en renovatie maximaliseren.

In het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' zijn slechts enkele kantoorgebouwen gelegen. Deze bestaande kantoorlocaties zijn positief bestemd. Er worden geen nieuwe locaties met vestigingsmogelijkheden voor kantoren toegevoegd.

Bomenbeleid

Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch, is op 26 januari 2010 door de gemeenteraad vastgesteld en van kracht geworden per 1 september 2010. In het Bomenbeleidsplan worden de belangrijkste bomen van de stad ingedeeld in drie categorieën: monumentale bomen, structuurbomen en sfeerbomen.

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' treft geen bijzondere regeling voor de monumentale bomen en/of waardevolle boomstructuren. De bomen liggen veelal binnen een verkeers-, groen- of woonbestemming. Bomen zijn binnen alle bestemmingen toegestaan.

Verkeersbeleid

Op 13 mei 2009 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch het uitwerkingsplan Koersnota Hoofdinfrastructuur 's-Hertogenbosch vastgesteld. De ambitie van de Koersnota is om het autogebruik terug te dringen ten gunste van het openbaar vervoer en de fiets. De insteek van de Koersnota is als volgt:

  • 1. ontvlechten van hoofdinfrastructuur voor auto en openbaar vervoer/fiets;
  • 2. bundelen van verkeer op doorstroomassen met daartussen verkeersluwe verblijfsgebieden;
  • 3. optimaal benutten van de Ruit van 's-Hertogenbosch;
  • 4. ontmoedigen van verkeer zonder herkomst of bestemming in de binnenstad op de binnenstadsring;
  • 5. versterken van het verblijfsklimaat in de kom Rosmalen.

De Koersnota Hoofdinfrastructuur is inmiddels uitgewerkt in verschillende uitwerkingsplannen, zoals het uitwerkingsplan Lekker Fietsen! (2009), het uitwerkingsplan Verkeersmanagement (2010) en het uitwerkingsplan Openbaar vervoer (2012).

De Koersnota wijst de hoofdstructuren voor auto, OV en fiets aan. Dit zijn assen die in verkeerskundig opzicht het geraamte van de stad vormen. Het gaat om doorstroomassen voor gemotoriseerd verkeer, doorstroomassen voor openbaar vervoer en sternetroutes en hoofdfietsroutes voor fietsverkeer. Naast de doorstroomassen voor het gemotoriseerd verkeer is in de gemeentelijke wegencategorisering een aantal andere wegen aangewezen die ook een gebiedsontsluitende functie hebben. Alle overige wegen zijn verblijfsgebieden; de gemeente probeert die verblijfsgebieden verkeersluw te houden.

De Nota Lekker Fietsen! is een uitwerking van het fietsbeleid in de Koersnota Hoofdinfrastructuur. Het hoofdfietsnetwerk bestaat uit sternetroutes en overige hoofdfietsroutes. De sternetroutes kennen een intensiteit van meer dan 2.000 fietsers per etmaal en zijn in het hoofdfietsnetwerk de belangrijkste routes. Naast het utilitaire fietsverkeer richt het gemeentelijk fietsbeleid zich ook op het recreatieve fietsverkeer.

In paragraaf 2.4 is een beschrijving van de verkeersstructuur binnen het plangebied opgenomen.

Parkeerbeleid

De Nota Parkeernormering 2016 auto en fiets is op 21 september 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Op basis van deze nota kan bij nieuw- en verbouwplannen en bij functiewijziging worden bepaald hoeveel parkeerplaatsen voor deze ontwikkeling nodig zijn om zo parkeeroverlast (ongewenste parkeerdruk op openbare ruimte) te voorkomen.

In het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' is het beleid uit de Nota Parkeernormering indirect vertaald. In het bestemmingsplan zijn regels gesteld dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij worden de normen van de Nota Parkeernormering 2016 gehanteerd.

Welstandsbeleid

Op 17 mei 2011 stelde de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vast. De buurten van het plangebied behoren tot het welstandsgebied De Muntel, Graafsewijk, De Vliert en Hintham of het welstandsgebied Aawijk.

Het grootste deel van de bebouwing in het plangebied bestaat uit 'ambachtelijk traditionele (woon)bebouwing' en 'geïndustrialiseerde (woon)bebouwing'. Ook 'gestapelde (woon)bebouwing' en 'op zichzelf staande bebouwing' komt veelvuldig voor in het plangebied.

De bebouwing in het begin van de twintigste eeuw heeft een historisch karakter. Een groot deel van de bebouwing in de buurten Hinthamerpoort-zuid, Graafsebuurt-zuid en Graafsebuurt-noord behoort tot het bouwtype '(gesloten) historische (woon)bebouwing'.

Op het plangebied is een algemeen welstandsniveau van toepassing. De algemene welstandscriteria gelden als beoordelingskader. Het beleid hierbij is gericht op het waarborgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving. Het welstandsbeleid vormt daarbij de basis voor een actief, inspirerend en open architectuurbeleid.

Grondbeleid

In de Nota Grondbeleid 2010 stelt de gemeenteraad primair de kaders vast voor het door het college te voeren grondbeleid. Grondbeleid wordt door de gemeente 's-Hertogenbosch gezien als het beleid dat streeft naar het creëren van ruimte voor wonen, werken, winkelen en recreëren in zowel uitleggebieden als bestaand stedelijk gebied. Door het oppakken of ondersteunen van concrete ontwikkelinitiatieven worden gemeentelijke doelstellingen bereikt op het gebied van ruimtelijke ordening.

In de Nota Grondbeleid zijn vastgelegd: de kaders voor actief en passief grondbeleid, het prijsbeleid, de financiële grondslagen, het risicomanagement en de mate waarin voorzieningen worden opgenomen in de grondexploitatie.

Het door de gemeenteraad vast te stellen bestemmingsplan voor een gebied bepaalt specifiek wat de kaders zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied zelf. Bij de besluitvorming over een bestemmingsplan maakt de gemeenteraad een afweging tussen alle gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van het gebied en het beoogde financiële resultaat.

In hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid wordt aandacht besteed aan de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan.

Waterbeleid

De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeenteraad vastgesteld in het Waterplan 2 uit 2009. Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. In het Waterstructuurplan van 2012 is het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk.

In Hoofdstuk 6 Waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald in dit bestemmingsplan.

Archeologiebeleid

De archeologische waarden en verwachtingenkaart vormt de basis voor het gemeentelijke archeologiebeleid. Dit archeologiebeleid is in juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r.-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Ook de overige archeologisch relevante zones zijn in het beleidsplan gekoppeld aan bepaalde vrijstellingsgrenzen van archeologisch onderzoek.

Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer de geplande ingrepen de vrijstellingsgrenzen uit het bestemmingsplan overschrijden. Wettelijk geldt dat de kosten van het archeologisch onderzoek ten laste komen van de initiatiefnemer ('de verstoorder betaalt'). Als onderdeel van een omgevingsvergunning moet dan ook een waardestellend archeologisch onderzoek worden overlegd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan aan de omgevingsvergunning bijvoorbeeld de voorwaarde tot het laten uitvoeren van een opgraving worden verbonden. Voor het aanbrengen van heipalen is over het algemeen geen archeologisch onderzoek vereist. Een uitzondering geldt voor het beschermd archeologisch monument. Ook wanneer er sprake is van zeer veel heipalen kan een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Bij een hoge dichtheid aan heipalen wordt de ondergrond immers toch intensief verstoord. Vroegtijdig overleg met de afdeling Erfgoed van de sector Stadsontwikkeling van de gemeente kan duidelijkheid geven over de noodzaak van een archeologisch onderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0008.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0009.jpg"

Afbeelding 3.1 Archeologische beleidskaart met in rood de globale grens van het bestemmingsplangebied

Voor de verschillende zones geldt een archeologische onderzoeksplicht voor ingrepen boven een bepaalde oppervlaktemaat en beneden een bepaalde dieptemaat. Dit geldt zowel voor bouwen als voor aanleggen.

Voor de zone waarbinnen verdedigingswerken van de historische binnenstad liggen (4B), wordt een archeologische onderzoeksplicht opgenomen voor alle ingrepen die groter zijn dan 5 m² en dieper dan 100 cm beneden het maaiveld reiken.

Voor de zone binnen de historische binnenstad (4C) wordt een archeologische onderzoeksplicht opgenomen voor alle ingrepen die groter zijn dan 25 m² en dieper dan 50 cm beneden het maaiveld reiken.

Voor de terreinen buiten de historische stads- of dorpskernen met een hoge verwachting op het aantreffen van resten van kloosters, kastelen of molens (4D) wordt een archeologische onderzoeksplicht opgenomen voor alle ingrepen die groter zijn dan 50 m² en dieper dan 50 cm beneden het maaiveld reiken.

Voor de terreinen binnen de oude kernen van de dorpen (4E) wordt een archeologische onderzoeksplicht opgenomen voor alle ingrepen die groter zijn dan 50 m² en dieper dan 50 cm beneden het maaiveld reiken.

Voor de zone met een hoge verwachting voor het aantreffen van resten van verdedingingswerken (4F1) wordt een archeologische onderzoeksplicht opgenomen voor alle ingrepen die groter zijn dan 100 m² en dieper dan 300 cm beneden het maaiveld reiken.

Voor de zone met een hoge verwachting voor het aantreffen van resten van verdedingingswerken (4F2) wordt een archeologische onderzoeksplicht opgenomen voor alle ingrepen die groter zijn dan 100 m² en dieper dan 100 cm beneden het maaiveld reiken.

Voor de zone met een hoge en middelhoge verwachting (5A) geldt een archeologische onderzoeksplicht bij ingrepen die groter zijn dan 100 m² en dieper dan 0,5 meter beneden het maaiveld reiken.

Voor de zone met een hoge en middelhoge verwachting waarbij sprake is van ophoging (5B) geldt een archeologische onderzoeksplicht bij ingrepen die groter zijn dan 100 m² en dieper dan 100 cm beneden het maaiveld reiken.

Voor de zone met een lage verwachting (6) is geen archeologisch onderzoek vereist. Wel zal bij m.e.r.-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen, nader onderzoek worden verlangd.

In zijn algemeenheid geldt dat, indien tijdens werkzaamheden geïsoleerde, zogenaamde 'losse' archeologische vondsten worden gedaan, men wettelijk verplicht is dergelijke vondsten te melden aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ook de gemeentelijk archeoloog wordt in dit geval op de hoogte gebracht

In het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' is het archeologiebeleid vertaald in verschillende dubbelbestemmingen voor de verschillende zones. Zie hiervoor Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten.

Hoofdstuk 4 Planuitgangspunten

4.1 Beheersplan

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' betreft voornamelijk een beheersplan dat voorziet in de planologische en juridische vastlegging van de situatie, zoals deze nu grotendeels feitelijk bestaat (qua gebruik en bebouwing) en planologisch mogelijk is. Dat betekent dat in het bestemmingsplan geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.

4.2 Wonen

Het plangebied bestaat uit verschillende buurten. Binnen het plangebied is 'Wonen' de hoofdfunctie.

In het woonbeleid wordt voor bestaande wijken gekozen voor behoud en versterking van de woonfunctie. Als het gaat om behoud betekent dit dat in het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' het aantal bestaande woningen als uitgangspunt wordt genomen. De bestaande woningen zijn conserverend bestemd waarmee de bestaande situaties worden beschermd. De woonfunctie wordt niet verder uitgebreid. De opzet van de buurten wordt gehandhaafd met het bestemmingsplan.

De verwachting is dat in de komende 10 jaar de bevolking in het plangebied gaat vergrijzen. Met name het aantal 75-plussers zal de komende jaren sterk gaan toenemen. Door de toename van het aantal 75-plussers zal de vraag naar zorg en ondersteuning (voornamelijk aan huis) ook toenemen.

Voor versterking van de woonfunctie in het plangebied geldt dat de mogelijkheden voor nieuwbouw nog maar beperkt aanwezig zijn, wat betekent dat zorgvuldig met vrijkomende locaties moet worden omgegaan. Hiervoor geldt het uitgangspunt: 'strategische nieuwbouw'. Dit betekent dat nieuwbouw moet worden benut om de differentiatie in de woningvoorraad te vergroten om zodoende meer keuzemogelijkheden te bieden aan verhuisgeneigde huishoudens. Nieuwbouw moet dienen om zoveel als mogelijk 'aanvullend' te bouwen. Andere woningtypen en -prijsklassen, zorgwoningen voor ouderen, starters en gehandicapten dragen daar bijvoorbeeld aan bij. Door uit te gaan van de potentiële kwaliteiten van de buurt en deze zoveel mogelijk aan te vullen, wordt niet alleen het woningaanbod aantrekkelijker, maar wordt ook een bijdrage geleverd aan het behoud van sociale verbanden. Hiermee worden buurten minder kwetsbaar voor sociale en fysieke achteruitgang.

Gelet op de grote vraag in de stad naar goedkope huur- en koopwoningen, geldt voor alle woningbouwprojecten dat minstens 25% van het aantal woningen wordt gerealiseerd in de sociale sector (huurwoningen onder liberalisatiegrens, koopwoningen < € 185.000,- VON).

4.3 Niet-woonfuncties

Naast de hoofdfuntie 'Wonen' komen in de wijken ook vele voorzieningen voor. Dit komt de levendigheid in de wijken ten goede. De gemeente wil deze functiemenging in de woonwijken zoveel mogelijk behouden en versterken. Dit is in het bestemmingsplan vertaald door de bestaande niet-woonbestemmingen over te nemen.

Zo is het beleid er op gericht om binnen de winkelcentra en langs de verbindingsassen functiemenging te bevorderen. Op de betreffende plekken zijn veelal meerdere, verschillende niet-woonfuncties toegestaan. Hiervoor geldt een bestemming 'Centrum' voor de twee wijkcentra of 'Gemengd' voor de panden langs de verbindingsassen.

Daar waar niet-woonfuncties niet in een wijkcentrum of aan een verbindingsas liggen, maar midden in de woonwijk, is gekozen voor een bestemming waarbinnen alleen de betreffende bestaande dan wel toegestane functie naast wonen is toegestaan, zoals de bestemmingen 'Detailhandel', 'Dienstverlening' of 'Horeca'.

4.4 Mogelijke toekomstige ontwikkelingen

Mgr. Van Roosmalenplein-Van Broeckhovenlaan

Voor het gebied Mgr. Van Roosmalenplein - Van Broeckhovenlaan gaat de gemeente uit van een mogelijke toekomstige herontwikkeling en uitbreiding van het winkelcentrum op de locatie hoek Pater van den Elsenstraat/Mgr. Van Roosmalenplein. Zoals in de 'Nota detailhandel 's-Hertogenbosch 2011' beschreven is, moet het centrum gemoderniseerd worden. Daarbij is het van belang dat de herstructurering een meer samenhangend geheel maakt van het centrum, zowel ten aanzien van de positionering van de winkels als het parkeerareaal. Onderdeel van de toekomstige herontwikkeling is woningbouw op het nieuwe winkelcluster. Hierbij is vooralsnog uitgegaan van parkeervoorzieningen ten oosten van het blok met de winkelvoorzieningen.

Belangrijk uitgangspunt bij een eventuele herontwikkeling in het gebied is consolidatie van de gebruiksfuncties aan de Van Broeckhovenlaan en de Seringenstraat en het in stand houden van het groengebied achter eerstelijnsbebouwing aan voornoemde straten.

Het bestemmingsplan gaat voorlopig uit van de bestaande situatie. Het bestaande winkelcentrum heeft meerdere gebruiksmogelijkheden door de bestemming 'Centrum' die meerdere functies toestaat op de begane grond.

Graafseweg 354-358

Voor de gronden van de Graafseweg 354-358 geldt dat het bestemmingsplan 'Hintham' van 2011 voor het betreffende gebied is vernietigd door de Raad van State. In het bestemmingsplan 'Hintham' was voor de locatie voorzien in een bestemming ‘Gemengd’ die mogelijkheden bood voor dienstverlening (zakelijk en maatschappelijk en publiekverzorgend ambacht, kantoren, lichte bedrijvigheid, volumineuze detailhandel (met uitzondering van detailhandel in meubels) en wonen.

Onder invloed van de teruglopende vraag naar commerciële ruimte is vanuit de eigenaar ook gevraagd naar andere aanwendingsmogelijkheden voor de vrij van verhuur vallende onderdelen van het complex.

Door de ligging van de locatie Graafseweg 354-358 in een woongebied wordt vanuit de gemeente aangestuurd op een invulling die aansluit op de woonomgeving. Door de solitaire ligging van de locatie in een woongebied verdient een complete herinvulling van de locatie met woningbouw de voorkeur. Maar vanuit haalbaarheidsoogpunt wordt voorlopig nog vooral gericht op invulling met voorzieningen die goed inpasbaar zijn in een woonomgeving en zo mogelijk ondersteunend zijn naar de woonomgeving. Daarbij wordt gedacht aan initiatieven in de sfeer van gezondheid, fitness, recreatie en dergelijke.

Voor wat de functie detailhandel betreft is het gemeentelijk beleid er op gericht om versnippering van winkelaanbod in de woonwijken te voorkomen. Vanuit die optiek  - alsmede het gegeven dat de reguliere buurtcentra kunnen voorzien in voldoende detailhandelsaanbod - ligt het niet in de rede om de mogelijkheden voor detailhandel op de locatie te verruimen. Wel is overeenkomstig de uitspraak van de Raad van State met dit bestemmingsplan voorzien in bestendiging van de eerder voor de panden vergunde detailhandelsmogelijkheden in de volumineuze sfeer, waarbij specifiek detailhandel in meubels en/of woninginrichting niet langer wordt uitgesloten.

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu-aspecten aan de orde gesteld. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

Dit bestemmingsplan is een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen. Het is een conserverend bestemmingsplan, waarin in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Er is wel een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen. Wanneer voor deze ontwikkelingsmogelijkheid een ruimtelijke procedure wordt opgestart, vindt een afzonderlijke milieutechnische toets plaats.

5.1 Geluid

De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening op grond van een 'goed woon- en leefklimaat'. Het aspect geluid kent voor een aantal bestemmingen (zoals 'wonen') in combinatie met een aantal typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij nieuwe ontwikkelingen in ruimtelijke plannen. In het bestemmingsplan worden geen nieuwe (geluidsgevoelige) bestemmingen mogelijk gemaakt, een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig. In deze paragraaf is een kwalitatieve beschrijving van de akoestische situatie opgenomen.

Gezoneerd Industrieterrein Zuid '66

Over een deel van het plangebied (ten noorden van de Zuid-Willemsvaart) ligt de geluidzone van industrieterrein Zuid '66. Op dit industrieterrein is een aantal geluidzoneringsplichtige bedrijven gevestigd. Het industrieterrein is op grond van de Wet geluidhinder voorzien van een geluidzone. Op 19 juli 1991 is deze zone vastgesteld door De Kroon (besluit nummer 91.00.6641). Buiten deze zone mag de geluidbelasting van alle bedrijven op het industrieterrein samen, niet meer bedragen dan 50 dB(A). Binnen deze zone mogen in principe geen geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aanwezig zijn, tenzij hier specifiek een hogere waarde voor is verleend. Ook nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen zijn in eerste instantie niet toegestaan tenzij hier, na afweging, een hogere grenswaarde voor wordt verleend. Voor nieuwe gevallen kan een hogere grenswaarde worden verleend tot maximaal 55 dB(A). Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen de geluidzone mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002320-1201_0010.jpg"

Afbeelding 5.1: Geluidzone Zuid '66 (rode gebied = gezoneerd industrieterrein, gele zone = geluidzone)

Geluid afkomstig van overige bedrijven

Het plangebied omvat de Graafsewijk - Aawijk, binnen de gemeente 's-Hertogenbosch. Naast vele woningen bevinden zich nog enkele diverse functies zoals bedrijvigheid en maatschappelijke voorzieningen binnen dit gebied. Deze aanwezige functies zijn qua hinder passend in dit gemengde gebied en wordt via de milieuwetgeving gereguleerd.

Geluid afkomstig van wegverkeer

Geluid als gevolg van verkeersbewegingen komt met name van het verkeer over de doorgaande straten. In het grootste deel van dit gebied geldt een snelheidsregime van 30 km/uur dat (naast de verkeersveiligheid) de geluidsbelasting ten goede komt. In dit bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen opgenomen, die een nadere afweging van de akoestische belasting vereisen.

Het spreekt voor zich dat in het geval van toekomstige functiewijzigingen, de geluidsbelasting onderdeel uitmaakt van de beoordeling van dergelijke initiatieven. Voor dergelijke initiatieven worden de daarvoor nodige procedures en wettelijke bepalingen gevolgd.

5.2 Bodem

Bij het opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van de bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Aangezien in het plangebied in beginsel geen ontwikkelingen en functiewijzigingen plaatsvinden, hoeft geen bodemonderzoek naar bodemverontreiniging verricht te worden.

De algemene bodemkwaliteit in het gebied voldoet aan de kwaliteit “achtergrondwaarde”. Het gebied valt in de bodembeheerzone “Wonen 1920-1970”. Er zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Hierbij zijn plaatselijk lichte verontreinigingen geconstateerd, maar zijn er geen locaties waarbij sprake is van een vermoeden van ernstige verontreiniging met mogelijke risico's voor mens of milieu. De bodemkwaliteit voldoet voor de huidige bestemmingen.

5.3 Externe veiligheid

Doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met gebruik, opslag, productie en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. In het plangebied en de directe omgeving zijn geen transportroutes per spoor of buisleidingen voor gevaarlijke stoffen aanwezig.

Bedrijven

Binnen het plangebied zijn twee vuurwerkverkooppunten aanwezig. Zij zijn gelegen aan de Cypresstraat 28 en Rivierenplein 3. Verder zijn er drie propaantanks aanwezig rondom de Oosterplas (voor de sportaccommodaties en het hondenasiel). Zowel de vuurwerkverkooppunten als de propaantanks leveren geen problemen op. De aanvoer (los van de eisen aan het vervoermiddel) is niet gereglementeerd. Binnen het plangebied liggen geen LPG-cirkels. Verder liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven.

Wegen

Over de rijksweg A2 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Uit een inventarisatie naar het vervoer van gevaarlijke stoffen in de gemeente 's-Hertogenbosch en berekeningen ten behoeve van het Basisnet Weg is gebleken dat er geen knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden risico zijn rond de genoemde wegen in 's-Hertogenbosch. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico van de A2 wordt ter hoogte van 's-Hertogenbosch nergens overschreden. Voor de A2 is in het kader van het Basisnet geen veiligheidszone vastgesteld, wat inhoudt dat geen beperkingen worden opgelegd aan ruimtelijke ontwikkelingen in de directe nabijheid van deze weg. Van een plasbrandaandachtsgebied is bij de weg ter hoogte van 's-Hertogenbosch ook geen sprake.

Conform de Circulaire Risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen moet bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een route of tracé het groepsrisico beschouwd worden. De A2 ligt binnen deze afstand. Het plangebied valt daarmee ook binnen het invloedsgebied (950 meter) van de A2. Binnen het plangebied vinden in beginsel geen ontwikkelingen plaats. Het groepsrisico wordt dus niet beïnvloed. Er hoeft geen onderzoek of verantwoording plaats te vinden. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen waarbij sprake is van een significante toename van het aantal personen, dient aandacht besteed te worden aan het groepsrisico.

Op basis van de aanwezige bedrijvigheid in de gemeente zijn schattingen gemaakt van de lokale transportstromen in het document Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen van de gemeente 's-Hertogenbosch. Uit dit document blijkt dat over de lokale wegen enkel transport van brandbare vloeistoffen en LPG plaatsvindt. Het gaat hierbij om incidenteel vervoer van- en naar LPG-tankstations. Voor dit lokale vervoer is geen lokale routering ingesteld. Informeel zijn afspraken gemaakt met de vervoerders om de meest veilige weg te nemen. Door de lokalisering van de LPG-tankstations nabij de ringwegen is automatisch al sprake van korte en goede verbindingswegen van en naar de LPG-tankstations. De gereden routes binnen de gemeente lopen veelal ook niet door zeer dichtbebouwde gebieden.

5.4 Luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' is een conserverend bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat er geen nieuwe bronnen voor luchtverontreiniging, zoals extra verkeer of uitstoot van bedrijven gerealiseerd worden. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.

5.5 Bedrijvigheid

Binnen het plangebied zijn diverse bedrijfsmatige activiteiten bestemd. Het gaat hier om diverse lichte bedrijvigheid en maatschappelijk voorzieningen. De aard van de bestaande en toelaatbare bedrijvigheid wordt passend geacht in deze omgeving. Daarbij gelden voor bedrijfsactiviteiten diverse regels en normen (volgens het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) om hinder en milieugevaar te voorkomen. Nieuwe bedrijfsmatige activiteiten worden met dit plan niet mogelijk gemaakt.

Bij de uitwerking van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid maakt beschouwing van de relevante hinderaspecten van de omliggende bedrijvigheid onderdeel uit van het initiatief. Uitgangspunt hierbij is dat hinder nabij toekomstige woningen voorkomen dient te worden en dat de belangen van nabij gelegen bedrijven niet worden geschaad, c.q. de bedrijven kunnen blijven voldoen aan de gangbare milieuvoorschriften.

5.6 Energie en duurzaamheid

Het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving is een belangrijke opgave van de gemeente. Van ontwerp, aanleg, inrichting tot beheer wordt de stedelijke ontwikkeling steeds duurzamer vormgegeven. De gemeente 's-Hertogenbosch wil een voortrekkersrol blijven spelen op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling.

Onder duurzame stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: het rekening houden met milieuaspecten gedurende planontwikkeling, bouw, inrichting en beheer van de nieuwe wijk. Belangrijke onderwerpen zijn: energie, water, afval, verkeer, materiaalgebruik, bodem, geluid en natuur.

De speerpunten van het gemeentelijk beleid richten zich op energie, integraal waterbeheer en duurzaam hout. Op basis van dit beleid geldt zowel voor de woningbouw als voor de bouw van commerciële ruimten het vereiste dat CO2-uitstoot ten opzichte van het wettelijk vereiste wordt gerealiseerd in combinatie met de toepassing van duurzame bronnen. Het integraal waterbeheer vereist dat in de bouw geen uitlogende materialen worden gebruikt en dat uitsluitend hout met het FSC-keurmerk of het PEFC-keurmerk (SFI, CSA en ATFS), niet zijnde MTCS, wordt toegepast.

5.7 Kabels, leidingen en straalpaden

In het plangebied bevinden zich geen kabels en leidingen die planologisch relevant zijn. Over het plangebied lopen twee straalpaden van de KPN. Voor het meest noordelijke straalpad geldt dat in een zone van 100 meter aan weerszijden van dit straalpad de maximaal toelaatbare bouwhoogte 39 meter bedraagt. Voor het zuidelijke straalpad geldt een maximaal toelaatbare bouwhoogte van 93 meter in een zone van 100 meter aan weerszijden van het straalpad. Aangezien binnen het plangebied geen bebouwingsmogelijkheden (ook niet via afwijking) worden geboden voor bouwwerken en gebouwen met een dergelijke hoogte, is er in de regels geen juridische regeling voor de straalpaden en de genoemde zones opgenomen.

Het plangebied is tevens gelegen in het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. Dit houdt in dat, teneinde het ongestoord functioneren van radar- en communicatieapparatuur op de vliegbasis te waarborgen, er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (= 27,8 km) geldt, gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied dient voor ieder obstakel, hoger dan 65 meter boven NAP, te worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. De mate van verstoring is afhankelijk van onder andere hoogte, breedte en opstelling van objecten. Plannen tot het oprichten van hoge bebouwing dienen altijd individueel getoetst te worden door het Ministerie van Defensie. Ook hier geldt dat het bestemmingsplan geen bebouwingsmogelijkheden met een dergelijke hoogte geeft.

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf

Water is een belangrijk element in de ruimtelijke ordening. Het zorgt niet alleen voor bepaalde beperkingen maar biedt ook kansen binnen en buiten het plangebied. Voorliggend bestemmingsplan legt de huidige situatie vast, waarbij in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen zijn gepland. In onderstaande tekst is beschreven wat de beleidsdoelen zijn op het gebied van water bij huidige en toekomstige ruimtelijke plannen.

Beleid voor integraal waterbeheer

Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Dit is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.

De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan 2 (2009). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. In het Waterstructuurplan (2012) is het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en moeten via daarvoor bedoelde procedures verkregen worden.

Uitgangspunten integraal waterbeheer

De uitgangspunten voor integraal waterbeheer zijn:

  • gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;
  • voorkomen van vervuiling van water;
  • schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt:
    • 1. hergebruik;
    • 2. infiltratie/bergen;
    • 3. afvoer;
  • hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige gebruiksfuncties.

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.

Huidige situatie

De Graafsewijk - Aawijk is grotendeels opgehoogd met zand uit de Oosterplas. Enkele achtertuinen en het recreatiegebied Oosterplas uitgezonderd. Het peil van de wijk is ongeveer 6,00m+N.A.P. Het regenwater dat niet op de verhardingen valt, wordt via de bodem vertraagd afgevoerd naar de waterlopen. Het water dat valt op de verharding komt in de riolering. De riolering is een gemengd stelsel. Dus bij hevige regenbuien werken de overstorten en komt het overtollige regenwater op het oppervlaktewater.

Riolering

Momenteel is het gebied Graafsewijk - Aawijk een zelfstandig rioleringsgebied met een aantal overstorten die lozen op de Aa. In het gebied ligt aan de Acaciasingel een gemaal die het vuile water verpompt naar het hoofdrioolgemaal aan de Oude Engelenseweg. De Graafsewijk en de Aawijk hebben een gemengd rioolstelsel. Het streven is om bij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk verhard oppervlak af te koppelen.

In het plangebied ligt een bergbezinkbassin op de hoek Loekemanstraat/Dr. Poelsstraat en op de hoek van de Amstellaan/Geulweg. Onder rivier de Aa liggen diverse rioolzinkers (duikers).

Het rioolstelsel is grotendeels in goede staat. Wel moeten bij renovatie van een straat hier en daar de riolen worden vervangen. Ook moet op diverse plaatsen een zwaardere riolering worden gelegd. De Oosterplas is een recreatieplas. Het water in deze plas voldoet aan de normen van zwemwater. Daarom mogen in de toekomst ook geen lozingen op dit water plaatsvinden, en kan het gebied rondom de Oosterplas niet als inundatiegebied worden aangewezen.

Waterbergingsopgave

Dit betreft een consoliderend bestemmingsplan. Nieuwe ontwikkelingen zijn in beginsel niet voorzien. Daarom geldt er in principe geen opgave voor hemelwaterberging. Bij nieuwbouw of renovatie van verharde oppervlakken, gelden het dan vigerend beleid van de gemeente en het waterschap.

Waterkwaliteit

Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij bouw en renovatie afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen (zoals goten en leidingen).

Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De eerste twee onderdelen zijn juridisch bindend, de toelichting is juridisch niet bindend maar helpt bij de interpretatie van de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk is aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

7.1 Planmethode

Het bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het gebruik en het bouwen van gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Het plan is een beheersplan. De gebruiks- en bouwmogelijkheden uit de vigerende bestemmingsplannen zijn zoveel als mogelijk overgenomen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Hiervoor is aansluiting gezocht bij andere gemeentelijke bestemmingsplannen.

7.2 Opzet van de planregels

De regels van het bestemmingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1. Inleidende regels
  • Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels
  • Hoofdstuk 3. Algemene regels
  • Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming gekregen afhankelijk van het bestaande gebruik, de bestaande gebruiksmogelijkheden en de ligging binnen het plangebied. Hieronder volgt een opsomming van de verschillende bestemmingen binnen dit bestemmingsplan. Per bestemming is een toelichting op de gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden gegeven.

Bestemming Bedrijf

Gebruik De bestaande bedrijven hebben de bestemming 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming zijn in beginsel uitsluitend bij de woonomgeving passende bedrijven toegestaan. Aangezien het plangebied hoofdzakelijk een woonomgeving betreft, is er voor gekozen om in de Staat van Inrichtingen uitsluitend bedrijvigheid op te nemen, die in een woonomgeving inpasbaar wordt geacht en naar verwachting geen onevenredige overlast voor deze omgeving veroorzaakt. Hierdoor worden potentiële overlastsituaties zoveel mogelijk voorkomen.

De garagebedrijven, die zich in het plangebied bevinden, behoren niet tot bovengenoemde categorie. Een garagebedrijf in een woonomgeving geeft in het algemeen een verhoogd risico op het ontstaan van enige overlast, met name als gevolg van aan- en afvoerbewegingen. Deze activiteiten kunnen (geluids)overlast geven die niet of zeer moeilijk is te beperken middels milieuwetgeving. De aan- en afvoerbewegingen (vaak in de avondperiode) veroorzaken een geluidsimmissie ter plaatse van gevels van woningen die wordt aangemerkt als indirecte hinder. Garagebedrijven vallen onder het Activiteitenbesluit. In dit besluit zijn geen voorschriften opgenomen voor indirecte hinder. Een geringe grootte van het perceel en bedrijfsbebouwing en een korte afstand van het bedrijf tot de omliggende woningen (in beide gevallen is hiervan sprake) kunnen er eveneens toe bijdragen dat in de woonomgeving eerder indirecte hinder wordt ervaren. Dit neemt niet weg dat de rechten van de bestaande bedrijven gerespecteerd dienen te worden. Bestaande garagebedrijven mogen hun huidige activiteiten dan ook zonder beperkingen voortzetten. Uitsluitend daar waar deze bestaande bedrijven zitten, mogen deze blijven voortbestaan. Deze gronden hebben een aanduiding 'specifiek vorm van bedrijf - autoherstelinrichting' daarvoor gekregen. Het gaat om de panden aan Cypresstraat 68b en Maastrichtseweg 19.

In panden aan de Rijnstraat 427/429 en de Dommelstraat 17/19 vindt detailhandel in woninginrichting plaats. Deze volumineuze detailhandel is specifiek geregeld bovenop de bedrijfsbestemming met een aanduiding 'volumineuze detailhandel'.

Verder is op twee locaties de bedrijfsbestemming, vanwege de ligging en de impact op de omgeving, beperkt tot de huidige bedrijfsactiviteiten. Aan de Graafseweg 248 mag uitsluitend een tuincentrum aanwezig zijn, terwijl het adres Oosterplasweg 41 alleen gebruikt mag worden als een dierenasiel. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een woning ten dienste van de bedrijfsbestemming toegestaan.

Bouwen Voor de bouwregeling is zoveel mogelijk aangesloten bij de bouwregeling uit het geldende bestemmingsplan. Op de verbeelding is een bouwvlak weergegeven. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij een bebouwingspercentage op de verbeelding is opgenomen geldend voor het bouwvlak c.q. het deel van het bouwvlak. Dit bebouwingspercentage geeft aan tot hoeveel de gronden mogen worden bebouwd gerekend over de gronden binnen het bouwvlak met de aanduiding per bouwperceel. Daarnaast is een maximale goothoogte en maximale bouwhoogte op de verbeelding opgenomen.

Bestemming Centrum

Gebruik Voor detailhandel wordt gestreefd naar clustering van winkels in winkelconcentraties. Nieuwvestiging van winkels buiten deze concentratiegebieden wordt niet mogelijk gemaakt. In het plangebied komen twee winkelcentra voor: het Mgr. Van Roosmalenplein en het Rivierenplein. De panden van deze twee winkelcentra hebben de bestemming 'Centrum'.

Binnen deze bestemming zijn op de begane grond de functies detailhandel, kantoren met baliefunctie, publiekverzorgend ambacht en dienstverlening (zakelijk en maatschappelijk) toegestaan. Horeca is uitsluitend toegestaan daar waar dat met een aanduiding op de plankaart is aangegeven. Op de verdieping mag alleen worden gewoond.

Bouwen Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven dat volledig mag worden bebouwd. Daarbij is ook een maximale goothoogte en maximale bouwhoogte op de verbeelding vastgelegd.

Bestemming Detailhandel

Gebruik

Bestaande detailhandel buiten de winkelconcentratiegebieden heeft de bestemming 'Detailhandel'. Omzetting naar een woonfunctie behoort daarbij tot de mogelijkheden. Op de verdieping is uitsluitend wonen toegestaan. Indien bestaande detailhandel is gelegen langs een verbindingsas (Graafseweg, Van Broeckhovenlaan en Rijnstraat), heeft het pand de bestemming 'Gemengd - 1' met de aanduiding 'detailhandel'. Hierdoor kan de detailhandelsfunctie ook worden omgezet naar andere functies dan alleen wonen (bijvoorbeeld dienstverlening). Doel daarvan is functiemenging langs de verbindingsassen te bevorderen.

Bouwen Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven dat volledig mag worden bebouwd. Daarbij is ook een maximale goothoogte en maximale bouwhoogte op de verbeelding vastgelegd.

Bestemming Dienstverlening

De bestemming 'Dienstverlening' is toegekend aan de adressen waar deze functie nu reeds aanwezig is en die niet zijn gelegen langs één van de verbindingsassen. De dienstverlening is toegestaan op de begane grond. Omzetting naar een woonfunctie behoort daarbij tot de mogelijkheden. Op de verdieping is uitsluitend wonen toegestaan.

Bestemming Gemengd - 1

Gebruik Het bestaande beleid is er op gericht om langs de verbindingsassen functiemenging te bevorderen. Langs deze verbindingsassen is er dan ook voor gekozen zoveel mogelijk te werken met een gemengde bestemming, zodat functieomzetting binnen de grenzen van het bestemmingsplan kan plaatsvinden. De panden langs verbindingsassen waar een bepaalde niet-woonfunctie zit, hebben de bestemming 'Gemengd - 1'. Omzetting naar de verschillende andere niet-woonfuncties en naar wonen op de begane grond is mogelijk.

Binnen deze bestemming zijn op de begane grond de volgende functies toegestaan: publiekverzorgend ambacht en dienstverlening, kantoren en wonen. Detailhandel en horeca tot en met categorie 2, horeca tot en met categorie 3, horeca van categorie 2 en horeca van categorie 3 zijn uitsluitend toegestaan daar waar dat met een aanduiding op de plankaart is aangegeven. Op de verdieping is uitsluitend wonen toegestaan. Wonen is dus zowel op de begane grond als op de verdieping mogelijk.

Bouwen Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven dat volledig mag worden bebouwd. Daarbij is ook een maximale goothoogte en maximale bouwhoogte op de verbeelding vastgelegd.

Bestemming Gemengd - 2

Gebruik Het hart van het zorgcentrum Hintham en sociaal-cultureel centrum De Biechten heeft de bestemming 'Gemengd - 2'. Binnen deze gemengde bestemming is het volgende toegestaan: wonen in zorgwoningen, een sociaal-cultureel centrum en zorgcentrum, maatschappelijke voorzieningen en op de begane grond aan deze maatschappelijke voorzieningen ondergeschikte en ondersteunende horeca.

Bouwen Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven dat volledig mag worden bebouwd. Daarbij is ook een maximale bouwhoogte voor gebouwen op de verbeelding vastgelegd.

Bestemming Gemengd - 3

Gebruik De panden aan de Graafseweg 254-258 hebben de bestemming 'Gemengd -3'. Deze bestemming sluit aan bij de bestemming 'Gemengd' die de panden kregen met het bestemmingsplan 'Hintham'. Om aan te sluiten bij de uitspraak van de Raad van State is in aanvulling daarop mogelijk gemaakt dat volumineuze detailhandel inclusief detailhandel in woninginrichting en meubels wordt uitgeoefend. Verder zijn bij de woonomgeving passende activiteiten toegestaan. De volgende functies zijn toegestaan: publiekverzorgend ambacht en (zakelijke en maatschappelijke) dienstverlening, kantoren, lichte bedrijven, volumineuze detailhandel en wonen.

Bouwen Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven dat volledig mag worden bebouwd. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Daarbij is ook een maximale bouwhoogte op de verbeelding vastgelegd.

Bestemming Horeca

Gebruik Voor wat horeca betreft wordt voor de Graafsewijk - Aawijk een consolidatiebeleid gevoerd. Er worden geen vestigingsmogelijkheden voor nieuwe horecabedrijven geboden. Bestaande horeca wordt positief bestemd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar horeca van categorie 1, horeca van categorie 2, horeca van categorie 3 en horeca van categorie 4. Horeca van categorie 1 betreft bedrijven die gericht zijn op het bieden van logies (hotel). Horeca van categorie 2 gaat om het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse (restaurant, lunchroom, eethuizen e.d.). Horeca van categorie 3 betreft bedrijven die gericht zijn op het ter plaatse verstrekken van dranken (café), waaronder feestzalen. Horeca 4 betreft discotheken / dancings en casino's. Horeca van categorie 1 en 2 behoren tot de zogenaamde "zachte horeca", de categorie 3 en 4 tot de "harde horeca". Horeca van categorie 4 komt helemaal niet voor binnen het plangebied. Binnen de woonwijken is uitsluitend zachte horeca aanwezig, zoals eetcafés, snackbars etc. Dit is horeca van categorie 2. Binnen de bestemming' 'Horeca' is dan ook uitsluitend horeca tot en met categorie 2 toegelaten.

Bestaande horecavestigingen in de twee winkelcentra (Mgr. Van Roosmalenplein en Rivierenplein) en langs de verbindingsassen zijn respectievelijk opgenomen binnen de gemengde bestemmingen 'Centrum' en 'Gemengd -1 '. De horeca is daar ook specifiek geregeld door een aanduiding voor de betreffende horeca. Het gaat voornamelijk om horeca van categorie 2, en in een enkel geval om horeca van categorie 3. De horecafunctie kan daar worden vervangen door een andere functie die binnen de gemengde bestemming is toegelaten.

Bouwen Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Daarbij is een maximale goothoogte en maximale bouwhoogte voor gebouwen op de verbeelding opgenomen.

Bestemming Maatschappelijk

Gebruik De gronden binnen deze bestemming zijn primair bedoeld ten behoeve van maatschappelijke dienstverlening. De bestaande maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen en gemeenschapshuizen, zijn binnen deze bestemming opgenomen.

Bouwen Per locatie is een bouwvlak opgenomen met daarin eventueel een maximaal bebouwingspercentage en een maximale bouwhoogte voor gebouwen.

Bestemming Kantoor

Gebruik Voor bestaande kantoren geldt de bestemming 'Kantoor'.

Bouwen Per locatie is een bouwvlak opgenomen met eventueel een maximaal bebouwingspercentage en een maximale bouwhoogte.

Bestemming Verkeer

Gebruik De wegen inclusief de woonstraten hebben de bestemming 'Verkeer'.

Bouwen Binnen de bestemming zijn geen bouwvlakken gelegen. Ten dienste van de bestemming zijn wel gebouwen (maximaal 30 m²) toegestaan.

Bestemming Water

Gebruik De Aa, de Zuid-Willemsvaart, het IJzeren kind en de Oosterplas hebben de bestemming 'Water'.

Bouwen Binnen de bestemming zijn geen gebouwen, maar uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Bestemming Wonen

Gebruik  De woningen in de woonbuurten hebben de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming is wonen de hoofdfunctie. Binnen de woonbestemming is wel de uitoefening van een aan huis verbonden beroepsactiviteit toegestaan, mits deze ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. Dit betekent onder meer dat maximaal 35% van de oppervlakte van de begane grond van de opstallen, tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroepsactiviteit. Daarnaast zijn aan het wonen gerelateerde ondergeschikte functies als parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen e.d. ook toegestaan.

Op een aantal locaties wordt naast de woonfunctie een andere functie toegestaan via het opnemen van aanduidingen op de plankaart ('maatschappelijk', 'dienstverlening' en 'bedrijven'). Op de eerste plaats betreffen dit functies die nu reeds ter plekke aanwezig zijn en die ook rechtstreeks omgezet mogen worden naar uitsluitend een woonfunctie. Daarnaast wordt via dergelijke aanduidingen uitvoering gegeven aan bestaand beleid. Zo wordt het onder meer op een aantal plekken langs de verbindingsassen mogelijk gemaakt om op de begane grond vormen van maatschappelijke en zakelijke dienstverlening en publiekverzorgend ambacht te realiseren ter bevordering van functiemenging.

Een bijzondere aanduiding binnen de woonbestemming betreft de aanduiding 'zorgwoning'. Deze wordt gebruikt ten behoeve van de twee woonzorgcomplexen binnen het plangebied (Grevelingen en Oosterhof). Hier wordt de hoofdfunctie wonen gecombineerd met zorg- en welzijnsvoorzieningen, waarbij tevens ter ondersteuning van deze functies kleinschalige, ondergeschikte detailhandel, dienstverlening en/of horeca kan voorkomen.

Bouwen  De bouwmogelijkheden zijn terug te vinden op de verbeelding in samenhang met de regels.

Het bestemmingsplan maakt in de bestemming 'Wonen' onderscheid tussen verschillende woningtypologieën. Hiermee kan sturing worden gegeven aan de ruimtelijke impact van verschillende woningtypologieën op de omgeving. Deze ruimtelijke impact komt tot uiting in de bouwmassa (hoogte en situering), maar ook in het aantal woningen. De woningdichtheid is van invloed op de parkeerbehoefte en daarmee op de parkeerdruk en de leefbaarheid in de omgeving. Om te voorkomen dat de woningdichtheid in een wijk te groot wordt, maakt het bestemmingsplan onderscheid tussen grondgebonden en gestapelde woningen. Grondgebonden woningen zijn rechtstreeks toegankelijk op straatniveau en één van de bouwlagen sluit aan op het maaiveld. Deze zijn onderverdeeld in verschillende typen: vrijstaand, twee-aaneen, geschakeld of aaneengebouwd. Gestapelde woningen zijn geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning gelegen. Gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan, indien dit middels een aanduiding 'gestapeld' op de verbeelding is aangegeven. Het gaat dan om de bestaande gestapelde woningen. Hiermee wordt voorkomen dat grondgebonden woningen kunnen worden verbouwd tot gestapelde woningen.

Het bouwen van hoofdgebouwen is uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Voor de hoofdgebouwen is een maximale goothoogte en een maximale bouwhoogte op de verbeelding opgenomen.

Binnen de woonbestemming is de binnen de gemeente gebruikelijke erfbebouwingsregeling opgenomen ten behoeve van aan- en bijgebouwen. Ten behoeve van de flexibiliteit zijn op de basisregeling verschillende afwijkingsmogelijkheden geregeld. Voor het realiseren van erfbebouwing op zijerven van hoekpercelen is een aparte afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan opgenomen. Dit is gedaan omdat hoekpercelen met de daarop aanwezige hoofdbebouwing zeer (beeld)bepalend kunnen zijn voor de bebouwingskarakteristiek van de aanwezige stedenbouwkundige opzet. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat de percelen overhoekst (van twee zijden) waarneembaar zijn en de bebouwing bijzonder van aard kan zijn. Verder geldt dat vanuit verkeersveiligheid erfbebouwing op hoekpercelen niet wenselijk kan zijn.

Onder een zijerf wordt verstaan een gedeelte van een perceel gelegen naast een woning en aan een hoek van twee wegen c.q. het openbaar gebied.

Voorwaarden voor erfbebouwing op hoekpercelen:

  • de oppervlakte van de bebouwing mag maximaal 25 m² bedragen;
  • de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • de bebouwing dient te worden opgericht achter de denkbeeldige (verlengde) lijn die het snijpunt van de voorgevellijn en de zijgevellijn raakt en ligt onder een hoek van 45° ten opzichte van de voorgevellijn, maar niet door het bouwvlak van het betreffende hoofdgebouw heen gaat;
  • de voorgevel van een aangebouwd bijgebouw dient evenwijdig te zijn aan de voorgevel van de hoofdbebouwing;
  • de breedte van een aangebouwd bijgebouw bedraagt maximaal 3 meter.

Naast de bovenstaande voorwaarden kunnen er nadere eisen worden gesteld aan de minimale afstand van het bijgebouw tot de naar de openbare weg gekeerde zijdelingse perceelsgrens vanuit stedenbouwkundige opzet van de omgeving, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden en bezonning van de aangrenzende gronden.

Op een hoekperceel is, net als voor woningen die niet op een hoekperceel zijn gelegen, een afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan opgenomen om onder voorwaarden voor de voorgevellijn te kunnen bouwen (bijvoorbeeld een erker).

Voorwaarden voor de afwijkingsmogelijkheid:

  • de oppervlakte van de bebouwing mag maximaal 25 m² bedragen;
  • de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast.

De maximale oppervlakte van de bebouwing van 25 m² geldt voor het gehele voorerfgebied. Dit betekent dat de oppervlakte van alle bebouwing naast het hoofdgebouw (naast de zijgevellijn) en alle bebouwing voor de voorgevellijn tezamen niet meer dan 25 m² mag bedragen.

Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 4, Waarde - Archeologie 5 en Waarde - Archeologie 6

Het bestemmingsplan heeft een regeling opgenomen ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden in zes verschillende dubbelbestemmingen. De regeling is gedifferentieerd per archeologische verwachtingszone. Waar de verwachtingswaarde hoger is, worden strengere eisen gesteld aan het uitvoeren van werkzaamheden onder maaiveld.

Er zijn zes dubbelbestemmingen opgenomen waarbij een verschillende oppervlakte en/of diepte gelden.

Dubbelbestemming   Minimale oppervlakte   Minimale diepte  
Waarde - Archeologie 1   5 m²   1 meter    
Waarde - Archeologie 2   25 m²   0,5 meter    
Waarde - Archeologie 3   50 m²   0,5 meter    
Waarde - Archeologie 4   100 m²   3 meter    
Waarde - Archeologie 5   100 m²   1 meter    
Waarde - Archeologie 6   100 m²   0,5 meter    

Hoofdstuk 3 Algemene regels

In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene aanduidingsregels en de algemene afwijkingsregels alsmede de algemene procedureregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

In deze paragraaf zijn tot slot de algemene, overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

In het kader van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient de financieel-economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te worden aangetoond. In dit onderzoek zijn alle kosten en opbrengsten binnen de bestemmingsplangrens meegenomen. Bestemmingsplan 'Graafsewijk - Aawijk 2017' betreft primair een beheersplan. Dit betekent dat de bestaande planologische situatie wordt vastgelegd in een nieuw bestemmingsplan. Bij het actualiseren van bestemmingsplannen, waarvan in dit geval ook sprake is, wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van een bepaalde standaard om voor vergelijkbare gebieden te komen tot een uniforme regeling en eenzelfde rechtspositie voor belanghebbenden. Daarbij wordt rekening gehouden met de in de loop der tijd gewijzigde planologische inzichten en (woon)behoeften. Concluderend kan worden gesteld dat de ruimtelijke planvorming zoals neergelegd in dit bestemmingsplan financieel economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 9 Inspraak en vooroverleg

9.1 Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van de Inspraakverordening voor iedereen ter inzage gelegd gedurende een periode van zes weken. Daarnaast vindt een informatiebijeenkomst in de vorm van een inloopmoment plaats tijdens de inspraakperiode. Iedereen kan tijdens de terinzagelegging schriftelijk of mondeling een inspraakreactie indienen bij burgemeester en wethouders.

9.2 Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan instanties, zoals de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas.