direct naar inhoud van 2.5 Flora en fauna
Plan: Meerendonk, deel 2
Status: concept
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002130-1401

2.5 Flora en fauna

2.5.1 Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet beschermt een groot aantal planten- en diersoorten. Ze legt een zorgplicht op (artikel 2 Ffw) en verbiedt bepaalde handelingen, zoals het plukken, verzamelen et cetera van planten die tot een beschermde inheemse plantensoort behoren (artikel 8 Ffw) en het opzettelijk verontrusten van dieren die tot een beschermde inheemse diersoort behoren (artikel 10 Ffw). De ontwikkeling van woningbouw kan soms strijdig zijn met de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet. Soms is het echter mogelijk een plan zo uit te voeren dat overtreding van de verbodsbepalingen niet aan de orde is. Als dit niet mogelijk is, moet een ontheffing worden aangevraagd die alleen onder voorwaarden kan worden verleend.

Op 20 juni 2006 heeft Arcadis in opdracht van de gemeente 's-Hertogenbosch het nieuwe woongebied onderzocht op het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten (Arcadis, Quickscan Natuurwetgeving Meerendonk, 10 juli 2006). De volgende natuurwaarden zijn geïnventariseerd en beoordeeld in het licht van de ontwikkeling van woongebied Meerendonk:

  • Flora. In een deel van het gebied is kwel aangetroffen met plantensoorten als Waterdrieblad, Wateraardbei, Holpijp en Dotterbloem. Het zijn ondiepe kwelstromen die aan het verlanden zijn. Het gebied was in het verre verleden een kleinschalig landschap op vochtige, lemige en venige bodem. Naast deze ecologisch interessante locatie bevinden zich rondom het gebied watergangen. In deze watergangen zijn verschillende waterplanten aangetroffen als Gele plomp, Pijlkruid (in de bermsloot langs de Poeldonksweg) en fonteinkruiden (in de afwateringssloot rondom het onderzoeksgebied). Volgens gegevens van de provincie Noord-Brabant komt mogelijk Drijvende waterweegbree voor waarvan niet is uit te sluiten dat ze groeit in de afwateringssloot rondom het gebied en/of in de kwelstromen waar Waterdrieblad is aangetroffen. Op de slootkanten zijn algemene soorten aangetroffen waaronder Riet, Valeriaan en Blauw glidkruid.
  • Broedvogels. Tijdens het veldbezoek zijn alleen algemene soorten waargenomen: Houtduif, Koolmees, Pimpelmees, Wilde eend en Merel. Alle broedvogels zijn beschermd. Er moet bij de start van werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen.
  • Amfibieën. Het gebied is een geschikt leefgebied voor amfibieën. Op de oever naast de ijsbaan en in een van de kwelstroompjes op het landbouwperceel is de Gewone pad aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn geen ontheffingsplichtige soorten als de Kamsalamander en de Heikikker aangetroffen maar op voorhand kan niet worden uitgesloten dat zulke soorten voortplantings- en/of overwinteringslocaties in het gebied hebben.
  • Vissen. Op basis van verspreidingsgegevens komt mogelijk de ontheffingsplichtige Kleine Modderkruiper voor. Bij de beoogde ontwikkeling worden delen van de watergangen rondom het projectgebied opnieuw ingericht en worden dammen of bruggen aangelegd voor de ontsluiting van de woonwijk. Als nader wordt bepaald of en waar de Kleine modderkruiper voorkomt, kan deze bij de herinrichting van watergangen door compensatie en mitigatie worden ontzien.
  • Reptielen. In het gebied worden geen reptielen verwacht. Verstoring of vernietiging van deze soortgroep en zijn habitat is niet aan de orde.
  • Vleermuizen. Gezien het huidige gebruik en samenstelling van het gebied en op basis van verspreidingsgegevens maakt (de omgeving van) het gebied mogelijk deel uit van het foerageergebied van vleermuizen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd. Door de woningbouw en de aanleg van ontsluitingswegen treedt naar verwachting verstoring op door een toename van verlichting en geluid. Er wordt geadviseerd de verlichting te beperken. Naast deze verstoring gaat door de woningbouw foerageergebied verloren. Daartegenover staat dat de omgeving voldoende mogelijkheden als foerageergebied biedt en dat in het inrichtingsplan laanbeplanting is voorzien die kan dienen als foerageer- en/of vliegroute.
  • Grondgebonden zoogdieren. In het gebied worden geen ontheffingsplichtige soorten verwacht. Door de woningbouw en de aanleg van ontsluitingswegen worden grondgebonden zoogdieren verstoord en vindt habitatvernietiging plaats maar de omgeving biedt voldoende mogelijkheden om uit te wijken.
  • Insecten. Er worden door de woningbouw en de aanleg van ontsluitingswegen geen biotopen vernietigd van beschermde, ontheffingsplichtige insectensoorten.

Op de locatie waar de beschermde ontheffingsplichtige Waterdrieblad en beschermde maar niet ontheffingsplichtige Dotterbloem zijn aangetroffen, werd in eerste instantie woningbouw gepland. Hierdoor worden zowel de soorten als de standplaats vernietigd. De standplaats van de Waterdrieblad is ecologisch waardevol vanwege uittredende kwel. Waterdrieblad is afhankelijk van kwelwater, een specifiek milieu. Het geheel vernietigen van de lokaal voorkomende standplaats, dus het vernietigen van de gunstige instandhouding van de soort ter plaatse, is mogelijk moeilijk te compenseren. Inpassing in het plan van een natuurzone biedt een oplossing voor het verkrijgen van een ontheffing. Het oorspronkelijke plan is daarom aangepast aan de beschermde plantensoorten die voorkomen op een weideperceel zuidelijk van de plas: door de aanpassing wordt het leefgebied van Waterdrieblad, Wateraardbei en Dotterbloem gehandhaafd en uitgebreid. Zie figuur 2.1 en figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002130-1401_0003.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002130-1401_0004.jpg"

Afbeelding 2.1: bebouwingsstructuur januari 2006 Afbeelding 2.2: bebouwingsstructuur en fasering november 2007

Om een ontheffingsaanvraag in te kunnen dienen is het noodzakelijk duidelijkheid te hebben of deze soorten voorkomen en waar deze voorkomen in het plangebied. Nader onderzoek wordt aanbevolen naar het voorkomen van ontheffingsplichtige soorten: amfibieën (Kamsalamander, Heikikker); planten (o.a. Drijvende waterweegbree, Waterdrieblad); vissen (Kleine modderkruiper); vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied). Als duidelijk is welke soorten voorkomen en waar, kan een compensatie- en mitigatieplan worden opgesteld en een ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en faunawet worden ingediend. Naar verwachting heeft het plan een beperkte invloed op deze soorten en kan met gerichte maatregelen schade worden voorkomen als deze soorten daadwerkelijk voorkomen. Zo worden de watergangen en -partijen in het plan gehandhaafd.

De eisen conform de Flora- en faunawet staan, mede gelet op de aanpassing van het plan voor woongebied Meerendonk, zoals hierboven beschreven, niet in de weg aan de realisatie van BBS Nieuw Zuid.

2.5.2 Natuurbeschermingswet

De gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden en andere beschermde natuurmonumenten. Bij ingrepen binnen en buiten deze gebieden moet worden beoordeeld of geen negatieve effecten optreden ten aanzien van deze gebieden. De locatie van het bouwplan en de directe omgeving ervan zijn niet beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998.

Er worden geen negatieve effecten verwacht op natuurbeschermingswetgebieden.