direct naar inhoud van 2.1 Analyse van het plangebied
Plan: Mariaburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002135-1401

2.1 Analyse van het plangebied

2.1.1 Ontstaansgeschiedenis Landschap

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0003.jpg"

Bestaande situatie

Het plangebied maakt deel uit van Hooge Heide tussen Rosmalen en Nuland. Hooge Heide ligt op de dekzandrug tussen Rosmalen en Oss. Richting het noorden gaat deze rug over in het rivierkleigebied. Meer naar het zuiden is het gebied natter en gaat het landschap over in het beekdallandschap van de Aa. De boszone waar het plangebied in ligt is het hoogste deel van de zandrug en wordt gekenmerkt door zandgronden en een hoge ligging. Door de hoge ligging en de arme grond was dit gebied van oudsher weinig geschikt voor landbouw. Het gebruik beperkte zich lange tijd tot heide waar vee werd geweid. Ook werden er heideplaggen gewonnen voor de verrijking van de akkers rond de boerderijen. Hierdoor werd de grond nog armer en nog minder geschikt voor de landbouw. Pas aan het einde van de 18e eeuw werd het gebied geleidelijk aan ontgonnen voor de landbouw. Dit gebeurde door het aanleggen van agrarische percelen op de gunstige plekken zoals de lagere delen en door de aanplant van loofbos. Rond 1838 ontstaat in Hooge Heide Midden een gevarieerd beeld van kleinschalige agrarische percelen afgewisseld met bospercelen. De ontginningen vonden plaats vanuit de nieuwe erven zoals de Duinsche Hoeve en vanuit de boerderijen die zich langs de Vliertwijksestraat en de Molenstraat (nu Oude Baan Oost en Waterleidingstraat) vestigden. Langs deze historische linten komen verbeterde gronden voor zoals de haarpodzolgrond en hoge zwarte enkeerdgronden. Op de bodemkaart is goed terug te zien dat de donkergele gronden de verrijkte gronden langs de ontginningsassen zijn. Met deze ontginning zijn veel van de originele woeste gronden verdwenen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0004.png"

Bodemopbouw plangebied: op de zandrug liggen langs de ontginningslijnen de door de mens verrijkte gronden. Donkergeel = verrijkte gronden langs ontginningsassen, Geel =duinvaaggronden.

Tussen 1838 en 1895 ontwikkelt het gebied Hooge Heide Midden zich verder. Er wordt zowel bos ontgonnen ten behoeve van landbouwgronden als dat er landbouwgebieden worden omgezet in bos. Het gebied ten oosten van de secundaire Vliertwijksestraat (oost) verandert in een aaneengesloten bos. De Mariaburghoeve drukt inmiddels een belangrijke stempel op het plangebied. De omliggende gronden tussen beide takken van de Vliertwijksestraat worden agrarisch gebruikt. Kenmerkend is de verkaveling in smalle percelen die werden voorzien van beplanting. De reden hiervoor is waarschijnlijk de productie van hout geweest. Daarnaast worden enkele aanliggende bospercelen ingericht op een landgoedachtige manier. In deze bospercelen staan ook nu nog afwijkende boomsoorten die duiden op een parkachtige inrichting.

De secundaire Vliertwijksestraat is de oorspronkelijke noord-zuid verbinding. In deze tijd kreeg de secundaire Vliertwijksestraat een ander verloop naar de huidige hoofdweg 'Vliertwijksestraat'. Dit is de reden dat beide wegen nog dezelfde naam hebben. In deze periode is ook de waterwinning in het gebied van start gegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0005.png"

Historische kaart van 1890

In de 20e eeuw bestaat veel van het bos uit grove den, aangeplant ten behoeve van de houtproductie. De Mariaburghoeve is er nog steeds. In deze periode komt er op diverse plekken bebouwing in de bossen. Mariaoord, de Binckhorst maar ook het klooster worden in de ontginningsbossen gebouwd.

2.1.2 Landschappelijke indeling

In de visie Hooge Heide Midden wordt een aantal landschappelijke eenheden aangeduid. Twee van deze landschapseenheden hebben betrekking op het plangebied:

  • historische linten
  • ontginningsbossen met historische complexen
2.1.2.1 historische linten

De Oude Baan en de Vliertwijksestraat vormen de belangrijkste historische linten in het gebied. De Oude baan - Waterleidingstraat vormt één van de eerste linten richting Rosmalen– Hintham – ’s-Hertogenbosch, terwijl de Vliertwijksestraat van oudsher de verbinding vormt met de Maas in het noorden. De Graafse Baan is een oude hoofdroute die later is uitgebouwd tot een rijksweg (A59).Deze linten vormden in het verleden en ook nu nog de aanleiding voor de ontginning van het landschap. In het gebied is de invloed van de linten erg groot geweest. Het heeft bepaald waar gebouwd is en vanuit welke plek het land ontgonnen is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0006.png"

Landschappelijke indeling

De Waterleidingstraat ligt in het verlengde van de Oude Baan Oost en maakt onderdeel uit van de historische linten. Het lint ligt van oorsprong in het ontginningsbos, waardoor hier minimaal bebouwing aanwezig is geweest. De weg is een belangrijke recreatieve ontsluiting van de Hooge Heide voor auto’s en fietsers. Tevens vormt de weg met de vrijliggende fietspaden een belangrijke fietshoofdstructuur. Parkeergelegenheid voor een bezoek aan de aanliggende bossen ligt voornamelijk aan dit lint. De landschappelijke kwaliteit van de weg is groot door de ligging in het bos. Dichte delen worden hier afgewisseld met open heideterreintjes die kenmerkend zijn voor dit gebied.

De Vliertwijksestraat is eveneens een historische route. Deze weg loopt haaks op de landschappelijke gradiënt en doorsnijdt de boszone. Parallel aan de hoofdweg loopt een onverharde weg die eveneens Vliertwijksestraat heet. Dit is de oorspronkelijke loop van deze noord zuid verbinding. Het terrein tussen beide wegen in altijd een halfopen structuur geweest met agrarische gronden met bosjes en houtwallen. Aan de Vliertwijksestraat (hoofd -en secundaire structuur) ligt op een soortgelijke manier als aan de Oude Baan Oost bebouwing bestaande uit boerderijen later aangevuld met onder andere woonbebouwing. Deze liggen als boerenerven in het landschap.

Zowel de huidige hoofdbaan als de secundaire structuur hebben een waardevolle laanstructuur van eik en beuk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0007.png"

Vliertwijksestraat met parallelstructuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0008.png"

Vliertwijksestraat

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0009.png"

Secundaire Vliertwijksestraat met laanbeplanting van beuk

2.1.2.2 ontginningsbossen met historische complexen

De ontginningsbossen zijn rationeel opgezette grootschalige boscomplexen met een rechte verkaveling. Kenmerkend voor dit deel van de dekzandrug zijn de hoogteverschillen die worden gevormd door zandruggen en de laanstructuren langs de onverharde paden. De natuurlijke en landschappelijke kwaliteit van de ontginningsbossen vertoont een wisselende kwaliteit. De delen waar open terreindelen worden afgewisseld met bos hebben de grootste ecologische en landschapppelijke waarden. Vooral de overgangen tussen zandverstuiving, heidestruweel en bos zijn kenmerkend en waardevol voor dit gebied. Andere delen bestaan echter uit eentonige bossen met weinig variatie in de bomenstructuur. Binnen de ruimtelijke eenheid van ontginningsbossen liggen er in de Hooge Heide instituten, kloosters en verspreide bebouwing. Zij vormen op zichzelf staande eenheden binnen de ontginningsbossen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0010.png"

Ontginningsbos

In het plangebied ligt in het ontginningsbos aan de Graafsebaan een kloostergebouw. Het is een voormalig mannenklooster dat dateert uit het begin van de 20e eeuw. Het had een dubbele entree: een formele entree vanaf de Graafsebaan en een informele entree vanaf de Waterleidingstraat. De informele entree bestaat inmiddels niet meer en met de verbreding van de N50 tot A59 is de formele entree vanaf de Graafsebaan verdwenen en ligt het klooster deels verscholen achter een geluidswal. Het klooster wordt nu ontsloten vanaf de Vliertwijksestraat (west). Aan de voorzijde van het klooster ligt een parkeerterrein.

Het klooster is aangewezen als gemeentelijk monument. Het heeft recent dienst gedaan als asielzoekerscentrum. Achter het klooster ligt een noodgebouw voor hetzelfde gebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0011.png"

Klooster aan de Graafsebaan

Een gedeelte van het terrein rondom het klooster is van oudsher ingericht als tuin, waardoor het een parkachtig karakter heeft met niet gebiedseigen beplanting als rhododendrons en acacia's. Het tuingedeelte concentreert zich rondom een vijver die ten noorden van het klooster ligt. Daaromheen ligt een padennentwerk. De vijver is kunstmatig aangelegd om bluswater in de nabijheid van het klooster te hebben. Het terrein rondom de vijver is enigszins glooiend omdat de grond die vrij is gekomen uit de de vijver is neergeworpen op een aantal plekken rondom de vijver. Hierdoor liggen er een aantal verhogingen in het gebied.

Het parkachtige tuingedeelte loopt geleidelijk over in het oorspronkelijke bos. Dit is vooral te zien aan de hoeveelheid naaldhout die hier weer voorkomt. In dit gedeelte (ten noorden van de vijver) ligt een open graslandje. Nu is dit terrein aan het verwilderen.

2.1.3 Natuur

Het plangebied bestaat uit een aantal biotopen die kenmerkend zijn voor Hooge Heide.

Het bosgebied bestaat voornamelijk uit aangeplante dennen. Het bos is relatief oud maar matig ontwikkeld qua natuurwaarden. Door de arme bodem gaat de bosontwikkeling langzaam. De vele vogelkers in het bos verhindert de ontwikkeling tot een waardevol natuurbos. Vogelkers is een exoot die de struiklaag voor een groot deel bezet. Andere soorten kunnen hierdoor niet verder uitbreiden. Vooruitlopend op de planontwikkeling is in het bos een beheer ingezet naar een gevarieerder natuurbos. Hiervoor is onlangs grootschalig onderhoud uitgevoerd waarbij open plekken gemaakt zijn, plaatselijk de strooisellaag is verwijderd en aanplant van nieuwe soorten heeft plaatsgevonden. In het gebied zijn twee natuurakkers aangelegd. Hier is worden graanakkers teruggebracht. Graanakkers hebben een grote natuurwaarde en vormen een aanvulling op het ecologische functioneren van het gebied. Door de grote hoeveelheden bloemen die hier tussen zitten zullen insecten en insecteneters worden aangetrokken. Daarnaast maken overwinterende vogels gebruik van de granen die hier blijven overstaan. De verwachting is dat de natuurwaarden van het bos met de natuurakkers in de toekomst zal toenemen.

In het agrarisch gebied zijn tevens enkele oude houtwallen aanwezig welke voornamenlijk bestaan uit eik. Houtwallen vormen waardevolle elementen in het agrarisch gebied en maken dit geschikt voor soorten van het halfopen landschap van Hooge Heide. In het bos zijn ook nog enkele houtwallen aanwezig die vroeger rond een akker stonden. Deze zijn inmiddels vrijgezet en aangevuld met jonge belanting. De laanstructuren in het gebied hebben een grote waarde voor vleermuizen. De vijver in het gebied heeft ten opzichte van andere waterpartijen in de omgeving een lage natuurwaarde. Er zitten hier geen beschermde amfibieen of andere bijzondere soorten. Dit komt waarschijnlijk omdat de vijver vis bevat, in het bos ligt (weinig lichtinval) en steile oevers heeft. Het is een kunstmatig aangelegde vijver die is gegraven als bluswater voor het klooster.

2.1.4 Recreatie

Recreatie is een belangrijke functie voor Hooge Heide. Het plangebied vormt een belangrijk onderdeel van het wandelroutenetwerk van Hooge Heide Midden. Het gebied wordt door wandelaars gebruikt als een onderdeel van een groter gebied. Er zijn verbindingen met het terrein van De Binckhorst en met die van Brabant Water. Daarnaast kan aan de andere kant van de Vliertwijksestraat via Mariaoord worden aangesloten bij het padennetwerk van het Sparrenburgbos.

Het doel ten aanzien van recreatie in Hooge Heide is om een eenduidig beeld uit te stralen waarbij vrij van gebied naar gebied gewandeld kan worden. Het streven is om zoveel mogelijk hekwerken te verwijderen. Andere vormen van recreatie anders dan extensieve recreatie zijn hier minder geschikt.

2.1.5 Cultuurhistorie

Waardevolle elementen in het plangebied zijn elementen die het ontstaan van het gebied laten zien. Hierbij gaat het om de houtwallen, de bomenlanen, de verkavelingsstructuur en de wegenpatronen. Cultuurhistorie biedt daarnaast aanknopingspunten voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied. Uitgangspunt is om de nog aanwezige structuren zoveel mogelijk te bewaren of te versterken. Cultuurhistorie en natuurontwikkeling kunnen in dit gebied samen op gaan.

2.1.6 Archeologie
2.1.6.1 Inleiding

Met de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) d.d. 1 september 2007 behoren nieuwe bestemmingsplannen te omschrijven hoe omgegaan dient te worden met de bekende en de te verwachte archeologische waarden in het bestemmingsplangebied. Ten behoeve van het bestemmingsplan Vliertwijksestraat/Graafsebaan is een archeologische paragraaf opgesteld waarin de archeologische achtergronden en kenmerken van dit plangebied worden toegelicht. Vervolgens wordt een overzicht geboden van de randvoorwaarden die het gemeentelijke archeologische monumentenzorgbeleid stelt aan bodemingrepen in het bestemmingsplangebied.

2.1.6.2 Landschappelijke achtergrond

Het oostelijke en zuidelijke deel van het bestemmingsplangebied liggen op een dekzandrug en het westelijke en centrale deel in een stuifzandgebied (afbeelding 1). De dekzandrug maakt onderdeel uit van een veel grotere zandrug die vanaf 's-Hertogenbosch met onderbrekingen doorloopt via Rosmalen naar Oss. Het dekzandlandschap is ontstaan tijdens de laatste ijstijd terwijl het stuifzandlandschap pas uit de Late Middeleeuwen dateert. De ontwikkeling van het stuifzand hangt sterk samen met de kap van bossen in de Late Middeleeuwen. De voormalige bosgebieden veranderden in heidegebieden waar dieren konden grazen. Het heidelandschap veranderde op haar beurt echter in stuifzandgebieden toen tijdens de Middeleeuwen en na 1500 heidevelden werden afgeplagd. De heideplaggen werden, vermengd met mest, op de akkers gestrooid om de vruchtbaarheid van het akkerland te verhogen. Deze methode had echter een groot nadeel. Door het intensief afplaggen van de heide kwam het onderliggende dekzand bloot te liggen en kon het onder invloed van de wind verstuiven. Op sommige plekken werd het zand tot enkele meters diep weggeblazen om elders tot hoge zandduinen op te waaien. Op deze manier ontstonden grote, aaneengesloten stuifzandgebieden die niet alleen onbruikbaar waren voor beweiding of beakkering maar die soms ook een bedreiging vormden voor de vruchtbare akkerlanden en nederzettingen in de omgeving. Om de verstuiving tegen te gaan werden in de 19eeeuw vaak weer bomen aangeplant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0012.png"

Afbeelding 1. De landschapskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch met in rood de globale grens van het bestemmingsplan. 1. Dekzandrug, 2. Stuifzandgebied

De bodemkundige kenmerken van het bestemmingsplangebied zijn relatief eenduidig. De voormalige akkers op de dekzandrug worden gerekend tot de hoge zwarte enkeerdgronden. Dit betekent dat er sprake is van een door mensen opgebracht cultuurdek van minstens 50 cm dikte. Zoals hierboven al is beschreven is deze ophoging geleidelijk ontstaan door de bemesting van de akkers met een mengsel van dierenmest en heideplaggen. Deze vorm van bemesting zorgde dus niet alleen voor een verhoging van de vruchtbaarheid maar ook voor een verhoging van het maaiveld. Uit archeologisch onderzoek is duidelijk geworden dat op veel plaatsen grootschalige ontgrondingen hebben plaatsgevonden waardoor er niet langer sprake is van hoge zwarte enkeerdgronden. In de (voormalige) stuifzandgebieden heeft weinig tot geen bodemvorming plaatsgevonden zodat hier sprake is van duinvaaggronden. In het stuifzandlandschap kunnen echter ook oudere bodems voorkomen die zijn afgedekt door stuifzand maar deze liggen meestal dieper dan 1,2 m beneden het maaiveld.

2.1.6.3 Bewoningsgeschiedenis

De grote dekzandrug waarop Rosmalen ligt en waarvan het plangebied deel uitmaakt is vanaf de prehistorie een geliefde plaats voor bewoning geweest. Uit het plangebied en de directe nabijheid zijn echter geen archeologische vondsten of waarnemingen bekend. Hoewel het ontbreken van archeologische vondsten niet altijd wil zeggen dat er geen bewoning heeft plaatsgevonden, lijkt het er toch op dat het zuidelijke deel van de dekzandrug minder in trek is geweest voor bewoning dan het noordelijke en centrale deel. Waar dit precies mee te maken heeft is niet goed duidelijk maar mogelijk ligt het zuidelijke deel iets lager en is het hierdoor relatief natter en dus minder geschikt voor bewoning geweest.

Op de eerste kadastrale kaart van Nederland van rond 1832 (www.watwaswaar.nl) is alleen direct ten noordwesten van het plangebied bebouwing zichtbaar (direct ten zuiden van de huidige waterleidingstraat). Van het zuidwesten naar het noordoosten loopt een weg door het plangebied die is aangeduid als de weg van 's-Hertogenbosch naar Grave. Het noordelijke deel van het plangebied wordt op de eerste kadastrale kaart aangeduid als 'Nieuwe Erven'; het zuiden als 'De Heide'.

2.1.6.4 Archeologische verwachting

Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft het deel van het plangebied dat op de dekzandrug ligt een hoge verwachting (afbeelding 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0013.png"

Afbeelding 2. De archeologische verwachtingkaart van de gemeente 's -Hertogenbosch met in rood de globale grens van het bestemmingsplangebied. 1. Zone met een hoge verwachting, 2. Zone met een middelhoge verwachting, 3. Zone met een lage verwachting, 4. Gemeentelijk monument (Graafsebaan 172), 5 Gemeentelijk monument (Vliertwijksestraat 50).

Op basis van de datering van de dekzandrug kunnen hier in theorie sporen vanaf de Vroege Steentijd (Paleolithicum) aanwezig zijn al lijkt het echter aannemelijker dat eventuele sporen pas vanaf de Midden Steentijd (Mesolithicum), zullen voorkomen. De archeologische sporen bevinden zich naar verwachting in de top van het dekzand. Het stuifzandgebied heeft een lage archeologische verwachting. Omdat de overgang tussen dekzandrug en stuifzandgebied niet heel duidelijk is, is een bufferzone opgenomen die een middelhoge verwachting heeft gekregen.

In 2008 is door BAAC een archeologisch onderzoek uitgevoerd in delen van het plangebied. Hieruit is gebleken dat er geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn en dat er sprake is van ontgrondingen. Op basis van deze uitkomsten kan de hoge archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag.

2.1.6.5 Gebouwde Monumenten

Binnen het plangebied bevindt zich 1 gebouwd gemeentelijk monument. Het betreft het Klooster aan de Graafsebaan 172 (SOM 0064). Direct ten noordoosten van het plangebied ligt een ander gemeentelijk monument namelijk: Vliertwijksestraat 50 (SOM 0316).

2.1.6.6 Beperkingen ten aanzien van archeologie

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een archeologische beleidskaart (afbeelding 3). Op deze kaart is voor de verschillende archeologische zones het gemeentelijk beleid aangegeven. Ten behoeve van het opstellen van een bestemmingsplan wordt altijd bekeken of de archeologische zones 5A en 5B nader kunnen worden begrensd. Zoals in paragraaf 2.1.6.4 is aangegeven kan de zone met categorie 5A in dit bestemmingsplangebied worden bijgesteld naar categorie 6 (zie ook afbeelding 3).

Categorie Beleidskaart: 6

In de gebieden met een lage archeologische verwachting is wat archeologie betreft geen vergunning vereist. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Deze situaties vallen onder het regime van de Wet Milieubeheer en de Tracéwet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0014.jpg"

Afbeelding 3. De archeologische beleidskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch met in rood de globale grens van het bestemmingsplangebied. 5A. Zone met verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen, 6. Zone met een lage verwachting. Het gearceerde gebied kan op basis van archeologisch onderzoek worden aangepast tot een zone met een lage verwachting. Zie tabel 1 voor legenda.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002135-1401_0015.png"

Tabel 1

In alle omstandigheden, dus ook na vergunningverlening geldt dat indien tijdens werkzaamheden archeologische resten worden gevonden, men wettelijk verplicht is hiervan melding te maken aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ook de gemeentelijk archeoloog wordt in dit geval op de hoogte gebracht.