direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Heilig Hartenkerk
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002366-1201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Inleiding

In de toelichting wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. In de toelichting moet dus blijken hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd.

1.2 Aanleiding

De gemeente heeft een verzoek ontvangen om medewerking te verlenen voor de herontwikkeling van de Heilig Hartenkerk, Rubensstraat 62 te 's-Hertogenbosch. Het voornemen voorziet in 12 grondgebonden woningen in de voormalige kerk en twee nieuwe vrijstaande woningen aan de Graafseweg. De kerk is een gemeentelijk monument. Herontwikkeling met respect voor het gemeentelijk monument past binnen het beleid van de gemeente.

Het voornemen past niet in het geldende bestemmingsplan. De gemeente wil dat middels een bestemmingsplan dit plan mogelijk maken. Met dit bestemmingsplan wil de gemeente 's-Hertogenbosch de planologische en juridische ruimte bieden om het plan te realiseren.

1.3 Leeswijzer

In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de toelichting. Hoofdstuk 2 geeft de bestaande situatie en het voorgenomen plan weer. Het geldende beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Voor de ruimtelijke verantwoording van het voornemen wordt verwezen naar hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridisch-bestuurlijke aspecten van de regels. In hoofdstukken 6 en 7 wordt de economische - en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven. Zo zal in paragraaf 7.1 na de voorprocedure ingegaan worden op het resultaat van het vooroverleg en de inspraakprocedure. Uiteindelijk zal in paragraaf 7.2 de resultaten van de ontwerpfase worden verwerkt.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten oosten van het Centrum in de Graafsewijk. Het gebied wordt aan drie zijden door straten omsloten, de Rubensstraat, Lucas van Leijdenstraat en de Graafseweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0001.png"

Figuur 1: ligging plangebied (roodomrand) 

Het plangebied ligt in een overwegende woonomgeving. Aan de overzijde van de Rubensstraat staan enkele gebouwen met een maatschappelijke functie. Ten zuiden van het plangebied ligt de Graafseweg, één van de belangrijkste invalswegen van de stad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0002.png"

Figuur 2: ligging plangebied luchtfoto met kadastrale ondergrond

In het plangebied staat een aan de religieuze dienst onttrokken kerk. Het gebouw is een gemeentelijk monument. Het plein voor de kerk fungeerde als parkeerplaats voor de bezoekers van de kerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0003.png"

Figuur 3: bestaande situatie plangebied in vogelvlucht richting het zuiden

2.2 Ingediend initiatief

De planopzet betreft 12 grondgebonden woningen in het bestaande kerkgebouw en twee (vrijstaande) woningen aan de zuidwest zijde. De vrijstaande woningen liggen in de bebouwingsrooilijn van de Graafseweg en worden twee lagen hoog met een kap erop. De benodigde parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. Een groot gedeelte op het plein direct voor de kerk. De nieuwbouwwoningen en één woning in het oostelijke deel van de kerk krijgen parkeerplaatsen in hun tuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0004.jpg"

Figuur 4: voorgenomen nieuwe situatie in vogelvlucht richting het noordoosten, 12 woningen in de kerk en 2 nieuwe vrijstaande woningen aan de Graafseweg

2.3 Geldend bestemmingsplan

Het perceel ligt het bestemmingsplan "Graafsewijk + Aawijk". Het plangebied heeft daarin de bestemmingen"Maatschappelijk" "en "Verkeers- en verblijfsdoeleinden".

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0005.png"

Figuur 5: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Graafsewijk + Aawijk met legenda

Het voorliggend initiatief past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om het plan toch mogelijk te maken dient de bestemming ter plaatse van het plangebied door middel van een bestemmingsplanprocedure te worden gewijzigd naar een bestemming waarbinnen onderhavig plan juridisch-planologisch wordt verankerd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid:

  • 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van top sectoren;
  • 2. ruimte voor het hoofd netwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energie transitie;
  • 3. ruimte voor het hoofd netwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. een robuust hoofd netwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterland verbindingen;
  • 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;
  • 7. het instandhouden van de hoofd netwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen;
  • 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Eén van de dertien nationale belangen heeft betrekking op 'zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen'. Het rijk behartigt dit belang met de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als proces vereiste vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.'

Omdat het betrekking heeft op een woning(bouw)locatie, wordt het onderhavige plan gezien als een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro) . Er is sprake van een bestemmingsplan dat de bouw van 14 nieuwe woningen mogelijk maakt.

Deze stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RORO). 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RORO Noordoost-Brabant. In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant d.d. 17 december 2014 is de woningbouw opgave in de gemeente 's-Hertogenbosch begroot op 6.805 woningen in de periode 2014-2024. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave van 18.900 woningen. Voor de lange termijn - tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen. Hiertegenover staat een potentiële (netto) woningbouw capaciteit in de gemeente 's-Hertogenbosch van in totaal circa 8.400 woningen. Hiervan zijn circa 4.000 woningen harde plancapaciteit. Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op de harde plancapaciteit in verhouding tot de woningbouw opgave tot 2024 en daarna, in een actuele lokale en regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro (a). De woningen worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied (b). Het bepaalde onder (c) is vervolgens dan ook niet relevant. Het project voldoet aan de vereisten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

3.1.3 Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Dit besluit stelt eisen aan een bestemmingsplan daar waar het gaat om gebieden van nationaal belang:

  • rijksvaarwegen;
  • project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • kustfundament;
  • grote rivieren;
  • waddenzee en waddengebied;
  • defensie;
  • hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
  • elektriciteitsvoorziening;
  • buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • ecologische hoofdstructuur;
  • primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Het plangebied ligt niet in één van de bovengenoemde gebieden.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Op 7 februari 2014 hebben de provinciale staten van Noord Brabant de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie RO 2010 vastgesteld. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De partiële herziening 2014 is op 19 maart 2014 in werking getreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0006.png"

Figuur 6: Uitsnede "structurenkaart" Structuurvisie ruimtelijke ordening

Op de Structurenkaart is het plangebied aangeduid als 'stedelijk concentratiegebied'. Binnen de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden voor verstedelijking liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. De voorgenomen ontwikkelingen passen binnen de provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

De uitwerking van het beleid ten aanzien van onderhavige ontwikkeling is opgenomen in de Verordening ruimte 2014. Deze verordening vormt de basis voor het dagelijks handelen van de Gedeputeerde Staten en dus voor de inzet van de instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

3.2.2 Verordening Ruimte Noord-Brabant

De Verordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. De Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant hebben op 14 maart 2014 een partiële herziening Verordening ruimte vastgesteld die op 19 maart 2014 in werking is getreden. Op 10 juli 2015 heeft de Provinciale Staten de Verordening 2014 opnieuw vastgesteld. Deze is op 15 juli in werking getreden.

In deze verordening zijn alle vastgestelde wijzigingen van het afgelopen jaar van regels en kaarten verwerkt, inclusief de wijzigingen vanwege het in procedure gebrachte ontwerp “Wijziging Verordening ruimte 2014, veegronde regels 2”. De wijzigingen zijn beleidsarm en zijn hoofdzakelijk technisch van aard.

De verordening is een uitwerking van de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening en bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

  • Ruimtelijke kwaliteit;
  • Stedelijke ontwikkelingen;
  • Natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • Agrarische ontwikkelingen;
  • Overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0007.png"

Figuur 7: uitsnede themakaart stedelijke ontwikkeling verordening Ruimte

Het plangebied ligt volgens de verordening binnen de structuur "bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het betreft hier stedelijk concentratiegebied waar het beleid van de provincie er al decennia lang op is gericht om hier stedelijke ontwikkeling te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan.

Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling, uiteraard binnen de grenzen van wetgeving en de regionale woningbouw afspraken. Wel is in artikel 3.1 een aantal bepalingen opgenomen over zorgvuldig ruimtegebruik en de verantwoording die de provincie daarover vraagt aan gemeenten.

In de Verordening ruimte 2014 zijn regels gesteld ten aanzien van wonen binnen het bestaand stedelijk gebied. De volgende regels zijn van toepassing:

  • Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit;
  • Artikel 4.2 Stedelijke ontwikkeling;
  • Artikel 4.3 Nieuwbouw van woningen;

Per artikel wordt in cursief aangegeven of het initiatief voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld.

3.2.2.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

In artikel 3.1 van de Verordening ruimte 2014 worden regels verbonden aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie. De regels hebben betrekking op bescherming van onder andere natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en zien toe op het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het plan dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Ingeval van stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking).

Er dient verder inzichtelijk gemaakt te worden wat de gevolgen zijn van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden.

De omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft. Een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg dient ten slotte te worden verzekerd.

Onderhavig plan is een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro) omdat het betrekking heeft op een woning(bouw)locatie waarin een twaalftal grondgebonden woningen in de kerk en een tweetal nieuwe vrijstaande woningen worden gerealiseerd. Zoals in paragraaf 3.2.3 is beschreven voldoen de beoogde ontwikkelingen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het betreft hier voor het grootste gedeelte herinvulling van een leegstaande kerk waardoor een waardevol gebouw voor de stad blijft bestaan. Door hergebruik van dit gebouw wordt het bestaand stedelijk gebied geïntensiveerd.

3.2.2.2 Stedelijke ontwikkeling

In artikel 4.2 van de Verordening ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend gelegen is in bestaand stedelijk gebied.

De bouw van de woningen vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied.

3.2.2.3 Nieuwbouw van woningen binnen bestaand stedelijk gebied

In artikel 4.3 van de Verordening ruimte 2014 worden regels gegeven met betrekking tot het bouwen van woningen binnen bestaand stedelijk gebied. De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. In het kader van verantwoording in ruimtelijke plannen gelden deze regels als uitgangspunt.

Verantwoord dient te worden de wijze waarop bovenstaande regionale afspraken worden nagekomen. Hieruit moet blijken dat de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw (capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt die wordt uitgedrukt in aantallen woningen). De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen en eventueel de aard van de woningen met betrekking tot speciale doelgroepen en woningbouwcategorieën en locaties waaraan in regionaal verband de voorkeur worden gegeven.

De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RRO Noordoost-Brabant. In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant (17 december 2014) is de woningbouw opgave in de gemeente 's-Hertogenbosch begroot op 6.805 woningen in de periode 2014-2024. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave van 18.900 woningen. Voor de lange termijn - tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen. Hiertegenover staat een potentiële (netto) woningbouw capaciteit in de gemeente ‘s-Hertogenbosch van in totaal circa 8.400 woningen. Hiervan zijn circa 4.000 woningen harde plancapaciteit. Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op de harde plancapaciteit in verhouding tot de woningbouw opgave tot 2024 en daarna, in een actuele lokale en regionale behoefte.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Ruimtelijke StructuurVisie 's-Hertogenbosch

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het ‘ruimtelijk motto’ van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

3.3.2 Nota Wonen

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Nota Wonen 2012 die is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 september 2012. De ambitie voor het woonbeleid van 's-Hertogenbosch is het creëren van een evenwichtige woningmarkt met een gedifferentieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus zodat mensen naar tevredenheid in onze stad kunnen wonen en leven. Er wordt gestreefd naar een stad waar voldoende, betaalbare en passende woningen zijn en voldoende keuzemogelijkheden in gevarieerde en sterke buurten waarin mensen zich thuis kunnen voelen.

Deze ambitie is in de nota Wonen 2012 uitgewerkt in vier speerpunten van beleid: voldoende woningen, betaalbaar wonen, passend wonen, in sterke en vitale buurten.

De beleidsinzet van de gemeente voor woningbouw is dan als volgt:

  • voorzien in de toekomstige woningbehoefte door te streven naar de realisatie van gemiddeld 700 (met een bandbreedte van 500 tot 800) nieuwe woningen per jaar in de periode tot 2030;
  • voorzien in de behoefte aan voldoende betaalbaar wonen voor specifieke doelgroepen door minimaal 25% van de nieuwbouw in het sociale segment (huur en koop) te realiseren. Dit percentage kan per woningbouwlocatie verschillen, van maatwerk kan sprake zijn;
  • het vergroten van de woningdifferentiatie en -variatie in buurten en wijken, waardoor enerzijds het soms eenzijdige woningaanbod in buurten wordt doorbroken en anderzijds de keuzemogelijkheden voor woonconsumenten worden vergroot.
  • het innemen van een positieve en proactieve houding t.o.v. (kansrijke) initiatieven, door (binnen wettelijke kaders) meer ruimte te bieden, meer flexibiliteit en maatwerk te leveren bij bouwplanontwikkeling;
  • woonconsumenten meer mogelijkheden geven om hun woonwensen te realiseren door middel van o.a. (collectief) particulier opdrachtgeverschap.

Het aspect Wonen wordt ten aanzien van de voorliggende ruimtelijke ontwikkelingen in paragraaf 4.2 behandeld.

3.3.3 Nota Parkeren

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de "Nota Parkeernormering 2016" dat op 21 september 2016 is vastgesteld. De nota geeft aan hoeveel parkeerplaatsen per functie en per stadsdeel gerealiseerd dienen te worden bij nieuwbouw. Het plangebied ligt volgens de "Nota Parkeernormering 2016" in zone 3: overige bebouwde kom (plaats) 's-Hertogenbosch.

In paragraaf 4.3 wordt ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling op het aspect parkeren ingegaan.

3.3.4 Welstandsnota

Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen.

Het plangebied behoort tot het welstandsgebied de Muntel, de Graafsewijk, de Vliert en Hintham.

Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader. Op het plangebied is een algemeen welstandsniveau van toepassing. Het beleid hierbij is gericht op handhaving van de basiskwaliteiten van de wijk.

3.3.5 Waterplan

Onlangs is het Waterplan "Waterstad 2016 - Beleidsplan voor een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem" (31 januari 2017) vastgesteld door de gemeenteraad. Het doel van het waterplan is een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem te bewerkstelligen in de gemeente 's-Hertogenbosch. Het Waterplan betreft een koepelplan voor alle waterzaken. Het gaat daarbij om de gewenste inrichting en het beheer van oppervlaktewater en grondwater, als ook om de afvoer van hemelwater en afvalwater. Het Waterplan omvat het gemeenschappelijk beleid van gemeente en de waterschappen. De acties die door gemeente en waterschappen worden uitgevoerd, zijn opgenomen in het uitvoeringsprogramma dat loopt van 2016 tot 2020. Er wordt ingezet op het treffen van specifieke maatregelen om het watersysteem robuuster en aantrekkelijker te maken, en op het nog meer versterken van de integratie met andere beleidsvelden. In paragraaf 4.5 wordt ingegaan op het aspect water.

3.3.6 Bomenbeleidsplan

Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch, is door de raad vastgesteld op 26 januari 2010 en van kracht per 1 september 2010. In het Bomenbeleidsplan worden de belangrijkste bomen van de stad ingedeeld in drie categorieën: monumentale bomen, structuurbomen en sfeerbomen. Gelet op de in het plangebied aanwezige bomen wordt in paragraaf 4.6

3.3.7 Erfgoed

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Een uitwerking van het archeologiebeleid voor het bestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 4.8.2.

3.3.8 Nota Grondbeleid

In de Nota Grondbeleid 2005 (februari 2005) stelt de Raad primair de kaders vast voor het door het college te voeren grondbeleid. Grondbeleid wordt door de gemeente 's-Hertogenbosch gezien als het beleid dat, ten behoeve van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening, streeft naar het creëren van ruimte voor wonen, werken, winkelen en recreëren in zowel uitleggebieden als bestaand stedelijk gebied, door het oppakken of ondersteunen van concrete ontwikkelinitiatieven.

In de Nota Grondbeleid zijn vastgelegd: de kaders voor actief en passief grondbeleid, het prijsbeleid, de financiële grondslagen, het risicomanagement en de mate waarin voorzieningen worden opgenomen in de grondexploitatie. In het hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke verantwoording

4.1 Stedenbouw

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0008.jpg"

Figuur 8: situatietekening voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen

De beoogde ontwikkeling bestaat uit twee delen:

  • kerk transformeren voor woningbouw (woning 1-12)
  • twee nieuwbouwwoningen aan de Graafseweg. (woning A en B)
4.1.1 Kerk transformeren voor woningbouw

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0009.jpg"

Figuur 9: plattegrond begane grond kerk in voorgenomen situatie

De Heilige Hartenkerk is niet meer in gebruik als kerk en heeft een gemeentelijke monumentale status. In de kerk is een nieuwe functie beoogd: wonen. In de kerk zijn in totaal 12 grondgebonden woningen met verschillende groottes variërend van 150-250 m2 voorzien. Uitgangspunt van deze herbestemming is respect voor de karakteristiek van het bestaande gemeentelijk monumentale gebouw. Om de functie wonen mogelijk te maken zijn er echter wel ingrepen noodzakelijk. Zo worden er bijvoorbeeld extra gevelopeningen voorgesteld op de begane grond om zo directe toegang tot de tuin te hebben vanuit de woning maar ook om voldoende daglicht in de woning te krijgen. De gevelopeningen sluiten wat betreft maat, schaal en ritme aan bij de al aanwezige ramen van de kerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0010.jpg"

Figuur 10: bestaande noord- en voorgevel

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0011.jpg"

Figuur 11: schetsplan noord gevel voorgenomen situatie (toevoeging van ramen)

De huidige hoofd entree van de kerk wordt voor het merendeel van de woningen de centrale toegangsdeur. Vanaf de huidige entree stap je straks een middengang in. (zie figuur 9 plattegrond begane grond). Tien woningen krijgen een voordeur vanaf deze interne middengang. De twee andere woningen van de kerk, gesitueerd aan de oostelijke kant van de kerk (woning 11 en 12) worden direct vanaf de aangrenzende straat ontsloten via de tuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0012.jpg" Figuur 12: bestaande situatie voorgevel

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0013.jpg"

Figuur 13: voorgevel voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling

Negen van de twaalf kerkwoningen krijgen een tuin. Aan de zuidzijde grenzen enkele woningen (6,8 en 10) direct aan een aangrenzend perceel waardoor het niet mogelijk is hier tuinen te realiseren. Deze woningen krijgen een dakterras gelegen tussen het dakvlak van het middenschip en van de zijbeuken in als buitenruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0014.jpg"

Figuur 14: principe doorsnede dakterras voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0015.jpg" Figuur 15 inrichtingstekening plangebied met afmeting tuinen

De tuinen van de woningen in de kerk worden van de Lucas van Leijdenstraat afgeschermd door een haag. Achter de haag ligt een pad die de tuinen van de woningen ontsluit waardoor er minder openingen in de haag aan de Lucas van Leijdenstraat gemaakt hoeven te worden en de parcellering ten gevolge van de nieuwe functie in de kerk minder prominent zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. In de tuin krijgt iedere woning een berging waar onder andere fietsen in gestald kunnen worden. De woningen zonder tuin krijgen een berging tussen de nieuwbouwwoning en het plein voor de kerk. Onder paragraaf 4.3 is te lezen hoe de parkeerbehoefte in dit plan is ingepast.

4.1.2 Twee woningen aan de Graafseweg

Het tweede onderdeel van deze herontwikkeling is de bouw van twee grondgebonden woningen aan de Graafseweg (woning A en B). De vrijstaande woningen zijn in de rooilijn van de aangrenzende woningen gesitueerd. De voorzijde is gericht op de Graafseweg en de woningen worden aan elkaar geschakeld door middel van twee garages. Beide woningen bestaan uit twee lagen een kap, de richting van beide kappen is echter wel verschillend. Het perceel van woning A ligt niet direct tegen de stoep van de Rubenstraat. In deze tussenruimte wordt de bestrating onder de bestaande bomen weggehaald waardoor dit deel van het plangebied vergroend wordt. Door de ruimte tussen woning A en de Rubensstraat blijft het zicht op de kerk behouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0016.jpg"

Figuur 16: Woning A en B onderdeel van bebouwingsreeks aan de Graafseweg en met verschillende kaprichting

De achtertuin van woning B grenst aan de achtertuinen van de woningen in de kerk. De achtertuin van woning A grenst aan een volume van een laag en een kap met daarin de bergingen van de drie woningen in de kerk die een dakterras hebben. Dit volume vormt ook de overgang tussen het plein en de achtertuin. Om de woningen mogelijk te maken moeten enkele bomen van het carré verplaatst/ gekapt worden. De groene waarde van bomen die weggehaald worden elders in het plan gecompenseerd. Meer informatie over het bomenaspect vind u in paragraaf 4.6. Het inrichtingsplan verbind de nieuwbouw met de kerk.

4.2 Wonen

Het gemeentelijk beleid gaat in op het realiseren van nieuwe/extra woningen voor de huisvesting van de bevolking. Het onderhavige plan voorziet in 12 grondgebonden woningen in het monumentale kerkgebouw en twee vrijstaande woningen aan de Graafseweg en dus in een toename van het aantal woningen met 14 woningen. Er worden in het onderhavige plan te weinig woningen gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de voorwaarden om minimaal 25% in de sociale sector te bouwen.

Met het oog op de Nota Wonen wordt geconcludeerd dat er geen belemmering bestaat onderhavig plan vast te stellen.  

4.3 Parkeren

Het plangebied ligt in zone 3 van de Nota Parkeernormering 2016 (hierna de Nota). Voor woningen met een grootte van meer dan 150 m2 zoals hier voorzien zijn, geldt een parkeernorm van 1,8 per woning. Deze norm bestaat uit een bewonersdeel en een bezoekersdeel van 0,3 pp per woning. Er worden in totaal 14 woningen gerealiseerd; twee nieuwbouwwoningen aan de Graafseweg en twaalf woningen in de Heilige Hartenkerk. Volgens de Nota genereren de nieuwe woningen een parkeerbehoefte van 25,2 parkeerplaatsen.

De twee woningen aan de Graafseweg krijgen een eigen oprit met een lengte die voldoende is voor twee parkeerplaatsen en een garage (in totaal 2 parkeerplekken per woning). Woning 11 in de kerk krijgt een eigen oprit met een garage waar ook voldoende plek is voor twee parkeerplaatsen achter elkaar. Voor opritten zijn specifieke rekenwaarden opgenomen in de nota Parkeren 2016. Voor het type oprit dat hier gerealiseerd geld dat deze mag worden meegerekend als 1,5. Dat is gelijk aan het bewonersdeel van de voor deze woningen geldende parkeernorm.

De overige 11 woningen maken gebruik van parkeerplekken die centraal op het kerkplein komen te liggen. Hier worden ook het bezoekersdeel van de overige drie woningen gerealiseerd. De totale behoefte is volgens de normen 19,6 parkeerplaatsen. Op het centrale deel van het plein voor de kerk worden binnen de functieaanduiding 'parkeerterrein (p)' 20 parkeerplaatsen aangelegd. In totaal zullen er voor de woningen 25,5 parkeerplaatsen worden aangelegd. Hiermee wordt voldaan aan de Nota Parkeernormering 2016.

4.4 Milieu

4.4.1 Bedrijven en milieuzonering

Ter plaatse van panden in tegenoverliggende Elzenstraat blijven maatschappelijke voorzieningen bestemd. Er bevinden zich hier al reeds vele woningen rondom waarop hindernormen al gelden. Deze bestaande woningen staan op kortere afstand dan de voorgenomen nieuwe woningen in kerk en daarnaast. Eventuele hinder vanuit deze maatschappelijke voorzieningen valt daarom niet te verwachten Vandaar dat hier geen onderzoeken naar nodig zijn.

4.4.2 Geluid

Nieuwe woningen worden volgens de Wetgeluidshinder en Wet milieubeheer beschermd tegen geluid, bijvoorbeeld als gevolg van het wegverkeer. Voor het aspect geluid liggen de eisen op de gevel van nieuwe woningen (aan de Graafseweg en in de voormalige kerk) hetzelfde, namelijk voldoen aan de voorkeurswaarde van 48 dB op de gevel. Mochten de geluidsbelastingen als gevolg van het wegverkeer hoger zijn, dan is een ontheffing tot maximaal 63 dB mogelijk.

Voor het geluidbinnenniveau stelt het Bouwbesluit alleen eisen bij nieuwbouw, dit is 33 dB binnen in nieuwe woningen.

Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de Graafseweg. Er wordt niet verwacht dat het wegverkeerslawaai boven 63 dB uitkomt. Wel wordt verwacht dat er voor de nieuwe woningen een ontheffing hogere waarde moet worden verleend. Afhankelijk van de hoogte van de gevelbelasting (en dus nodige hogere waarde) stelt de gemeente voorwaarden. Dit is vastgesteld in de gemeentelijke 'Nota hogere waarde'. Een geluidsonderzoek zal de juiste gevelbelasting in beeld brengen met daarbij de nodige hogere geluidwaarden.

Omdat het plan buiten de geluidszone van het spoor of industriële bedrijven ligt, is voor die aspecten geen onderzoek nodig.

4.4.3 Luchtkwaliteit

Plan zal vanwege de weinige nieuwe woningen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering luchtkwaliteit (NIBM), dus luchtonderzoek niet nodig.

De concentraties NO2 en PM10 liggen beneden 30 microgr/m3 jaargemiddeld. Daarom dat kan worden geconstateerd dat de luchtkwaliteit voor de functie aanvaardbaar is.

4.4.4 Bodemkwaliteit

Met de nieuwe functie van wonen wordt het gebruik van grond/perceel gevoeliger dan de bestaande functie. Voor de verandering naar wonen is een bodemonderzoek NEN 5725/5740 nodig. Uit dit onderzoek zal moeten blijken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen), en zo niet wat er gedaan moet worden om het geschikt te maken.

Een bodemonderzoek is overigens ook bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er zijn op deze locatie niet eerder bodemonderzoeken verricht. Gelet op het historisch gebruik van het terrein kan vooralsnog uitgegaan worden van een onverdachte locatie.

4.4.5 Externe Veiligheid

Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen relevante risicobedrijven of ondergrondse leidingen aanwezig. De Esso-tankstation aan de Van Grobbendoncklaan ligt op 250 meter. Het Sportiom (ammoniakopslag en chloorbleekloog) ligt op meer dan 300 meter. Gelet op de afstanden van deze risicobronnen tussen het plangebied vormt externe veiligheid hier geen belemmering.

4.5 Water

Het gemeentelijk hemelwaterbeleid (uit het vast gesteld Waterplan 2016) geeft aan dat per m² verharding die toeneemt, wordt aangepakt of vervangen, 60 mm waterberging in het plangebied moet worden aangebracht. Deze opgaaf geldt overigens niet voor elke m² die binnen het plangebied als groen dak wordt aangelegd.

In de ontwerpfase wordt de verhard oppervlakte in het plangebied geïnventariseerd. Op grond van deze inventarisatie zal de benodigde capaciteit aan waterberging worden bepaald en in het plangebied worden verwerkt. Verder zal in de ontwerpfase inzicht worden gegeven in waar bij een zware regenbui (T = 100) binnen het plangebied het regenwater naar toe stroomt.

Het hemelwater en vuilwater zal binnen het plangebied worden gescheiden en ook gescheiden worden aangeleverd tot aan de perceelsgrens.

4.6 Bomen

Voor de behandeling van de bomen in en om het plangebied zijn de afspraken uit het Bomenbeleidsplan 2010 van toepassing. Bij de start van het proces zijn daarom de bomen in en om het plangebied in een bomeneffectanalyse (Bijlage 1) in beeld gebracht. In het bomenbeleidsplan wordt in beschermingsgraad onderscheid gemaakt in monumentale bomen, structuurbomen en sfeerbomen. De bomen in het plangebied zijn zogenaamde sfeerbomen.

4.6.1 Kwaliteit en toekomstverwachting

In het plangebied staan 20 volwassen bomen. Het gaat om 8 gewone esdoorns, 10 volwassen Hollandse lindes, een libanonceder en een beverboom. (Bijlage 1 Bomeneffectanalyse) Er zijn achttien bomen met een normale conditie, één boom met een verminderde toekomstverwachting (boomnr.19) en één  boom met een sterk verminderde conditie (boomnr.3). De toekomstverwachting van achttien bomen is  meer dan vijftien jaar, van één boom tien tot vijftien jaar en van één boom minder dan vijf  jaar. De meeste bomen staan in verharding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0017.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0018.jpg"

Figuur 17: kaart kwaliteit en toekomstverwachting bomen

4.6.2 Bomen in de nieuwe situatie

Om een plan met de benodigde volumes te realiseren is, in combinatie met een maximale hoeveelheid open groeiplaatsen, met de bouwvlekken geschoven tot er een minimaal aantal bomen verwijderd hoeft te worden. Dit ontwerp is in een bomeneffectanalyse getoetst. Uit deze bomeneffectanalyse blijkt het volgende.

Twaalf bomen kunnen zonder aanpassingen in het ontwerp worden behouden, mits de bomen en hun groeiplaatsen goed worden beschermd en bij de uitvoering zorgvuldig met de bomen wordt omgegaan. Voor de overige bomen is duurzaam behoud in het licht van de voorgenomen plannen niet mogelijk. Ter compensatie worden bomen met een lagere levensverwachting in het gebied vervangen, worden er een aantal bomen toegevoegd en de verharding onder bestaande bomen verwijderd.

Bij de toevoeging van de nieuwe bomen is er voor gekozen de structuur aan de Graafseweg te versterken door deze bij de nieuwe woningen te planten. Door het weghalen van de verharding krijgen de overgebleven lindes op het plein een verbeterde, open groeiplaats. Dat geldt ook voor de esdoorns aan de noordzijde van het plangebied. De boom met een lagere levensverwachting aan de Lucas van Leijdenstraat wordt vervangen door een forse linde. Hier wordt ook een extra boom bijgeplant ter versterking van de laanbeplanting langs de Lucas van Leijdenstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0019.png"

Figuur 18: inrichtingsplan met compensatiemaatregelen

De gezamenlijke berging van drie woningen in de kerk zonder tuin wordt op zodanige wijze gefundeerd dat deze de nabij gelegen bomen niet belemmerd. De bestaande haag aan de Lucas van Leijdenstraat blijft behouden in het inrichtingsvoorstel. Ook de overige erfafscheidingen van de tuinen worden, passend bij de huidige uitstraling van de kerk, met hagen afgescheiden van de openbare ruimte.

4.7 Flora en fauna

Op 22 augustus 2016 heeft er in het kader van de flora en faunawet een (voorlopige) quickscan in het projectgebied aan de Graafseweg ter plaatse van de geprojecteerde woningen plaatsgevonden (Bijlage 2).

Binnen dit gebied zijn vogels aanwezig en worden vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger verwacht. De vogels en de vleermuizen worden door de Flora en Fauna wet streng beschermd. Ook worden er in dit gedeelte van het plangebied verwachten de algemeen voorkomende soorten mol, veldmuis, egel, bruine kikker en gewone pad. Deze soorten zijn op grond van de Flora en Fauna wet licht beschermd.

Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig, maar wel worden er nesten van meer algemeen voorkomende vogelsoorten verwacht. Deze nesten zijn, mits in gebruik, streng beschermd.

Voor vleermuizen is geen ontheffing nodig omdat met de voorgenomen werkzaamheden geen essentieel foerageergebied of verblijfplaatsen verloren gaan. Voor het verstoren van vogels is in principe geen ontheffing mogelijk. Er moet zodanig gewerkt worden, dat bewoonde nesten worden ontzien en behouden. Voor soorten die licht worden beschermd is geen ontheffing nodig, mits zorgvuldig wordt gehandeld.

Maatregelen

  • voor het rooien van bomen en struiken de locatie worden deze eerst op dieren geïnspecteerd;
  • als er bomen en beplanting verwijderd moet worden, dient dit bij voorkeur dit uitgevoerd te worden tussen 1 december en 1 maart;
  • als er bomen en beplanting gerooid worden tussen 1 maart en 1 december dienen deze eerst gecontroleerd te worden op bewoonde nesten.

De voorlopige Quickscan zal in de ontwerpfase worden uitgebreid met een flora en fauna onderzoek voor de kerk. Het flora en fauna onderzoek zal daarmee definitief worden gemaakt.

4.8 Erfgoed

4.8.1 Bouwhistorie

De H.H. Hartenkerk met pastorie is gelegen in de Graafsewijk, een gebied wat op het kadastrale minuut uit 1832 nog onbebouwd was en bekend stond als "De Bosfche Hoyen"

Tezamen met een wijk als de Muntel of de Bossche Pad behoort de Hinthamerpoort en de Oranjebuurt (Graafsewijk) tot de noordoostelijke stadsuitbreidingen uit het interbellum. De betreffende plannen werden al voor de Eerste Wereldoorlog opgesteld en resulteerden in de nieuwe arbeiderswijken ten noorden van het riviertje de Aa en rondom de Graafseweg (Hinthamersteenweg), de oude uitvalsweg van Den Bosch naar Grave. Zoals gebruikelijk bij de Bossche stadsuitbreidingen zijn de terreinen er opgehoogd en nog altijd is hier de Ijzeren Vrouw te vinden, een zandwinningsplas die is genoemd naar de eertijds gebruikte baggermachine. Alhoewel in de Graafsewijk vooral arbeiderswoningen zijn gebouwd, kwamen langs de Graafseweg zelf ook middenstandswoningen.

De H.H. Hartenkerk is gelegen in het deel van de wijk – aan de noordwestzijde van de Graafseweg, tussen de Van Grobbendoncklaan in het westen en de Rogier van der Weydenstraat in het oosten – en dateert deels van na de oorlog. Op de al in 1934 door ir. J.A.M. Perey gemaakte tekeningen voor het betreffende uitbreidingsplan "De Vliert" is te zien dat hier aanvankelijk een ander stratenstelsel was beoogd. De haaks op de Graafseweg aansluitende Rubensstraat waaraan de H.H. Hartenkerk is gesitueerd, was er niet op ingetekend. Na de oorlog kwam het, rondom de Rubensstraat gelegen buurtje, tot stand met woningen voor de lagere middenklasse. De H.H. Hartenkerk werd hier als een nieuwe parochiekerk gebouwd, in opdracht van het kerkbestuur van de H.H. Antonius en Barbara (Bartjeskerk).

De H. Hartenkerk, voormalige parochiekerk (gesloten in 2015) werd in de periode 1949-1952 gebouwd naar een ontwerp van de bekende architect A.J. Kropholler in de voor hem gebruikelijke traditionele robuuste (baksteen-) architectuur. De oorspronkelijke ontwerpschetsen laten een kerk zien met aan de noordwest zijde een klokkentoren die nooit is gerealiseerd en ook niet meer op de vergunningstekeningen is opgenomen. Op deze uiterste noordwest hoek van het perceel is wel een bouwvlak ingetekend met de aanduiding "eventuele aanbouw".

Dit ontwerp was erop gericht dat het vanaf de Graafseweg zichtbare kerkplein omzoomd zijn geraakt door hiërarchisch opklimmende architectuur. Een dergelijk kerkelijk centrum als middelpunt van het betreffende buurtje toont sterke verwantschap met andere kerkelijke, door Kropholler ontworpen, ensembles.

De kerk bevindt zich aan de oostzijde van de Rubensstraat. Hier maakt het object deel uit van een bouwblok dat behalve door deze straat wordt omsloten door de Lucas van Leydenstraat (noordzijde), de Rogier van der Weydenstraat (oostzijde) en de Graafseweg (zuidkant). Direct ten zuiden van de koorpartij bevindt zich de bijbehorende pastorie met tuin. Ook rondom de kerk is een tuin gelegen. Aan de kant van de Rubensstraat wordt het gebouw voorafgegaan door een ruim plein dat tot aan de Graafseweg reikt. In de onmiddellijke omgeving bevindt zich woonbebouwing en verder is er ten westen van de Rubensstraat een ensemble van scholen.

De kerk is naast de vormentaal qua materiaalgebruik historiserend van karakter door o.a. de basilicale en traditionele indeling (hoog middenschip, lage zijbeuken), driezijdig gesloten oostelijk georiënteerd koor met steunberen, spitsbogige portalen, scheibogen en vensters, roosvenster. De zolderingen van het schip en zijbeuken zijn opgebouwd met moer- en kinderbalken, in het schip zijn de moerbalken voorzien van korbelen. Het koor is in steen overwelfd. Het robuuste in baksteen uitgevoerde interieur van de kerk dateert grotendeels uit de bouwtijd met bakstenen pijlers met scheibogen die als gedrukte spitsbogen zijn uitgevoerd.

Het oorspronkelijk interieur is sinds de jaren 80 gewijzigd door een herindeling waarbij het altaar vanuit de koorsluiting voorwaarts, meer naar het midden van het schip werd verplaatst. Achter het altaar werden banken in tribune- opstelling geplaatst voor het koor. Ook de opstelling van de kerkbanken werd hierbij aangepast aan de nieuwe situatie.

De kerk en pastorie staan geregistreerd als gemeentelijke monumenten en hebben vanzelfsprekend een hoge monumentwaarde vanwege de bijzondere stedenbouwkundige situering, de architectonische opzet, structuur en materiaalgebruik.

Handelingen (wijzigen, veranderen, slopen, restaureren en herbestemmen) die gevolgen hebben voor het object, dienen middels een omgevingsvergunning te worden geformaliseerd. Uitgangspunt is hierbij dat de monumentale waarden gehandhaafd blijven en indien mogelijk versterkt worden. Alle wijzigingen zullen beoordeeld worden door de gemeentelijke monumenten- en welstandscommissie.

4.8.2 Archeologie en cultuurhistorie

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen dient ook altijd rekening te worden gehouden met archeologische en cultuurhistorische waarden. Ten behoeve van het plan voor de H.H. Hartenkerk is daarom gekeken naar de archeologische en cultuurhistorische kaarten van de gemeente 's-Hertogenbosch.

4.8.2.1 Archeologie

In 2008 is een archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het deel van de gemeente buiten de middeleeuwse stadskern van 's-Hertogenbosch (afbeelding x) .

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0020.png"

Afbeelding 19. Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch met in blauw de globale grens van het bestemmingsplangebied.

Deze kaart bevat niet alleen de reeds bekende archeologische vindplaatsen maar geeft ook een overzicht van de gebieden waar archeologische vindplaatsen verwacht kunnen worden, de zogenaamde verwachtingsgebieden. Gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologie hoog is, worden aangeduid als gebieden met een hoge archeologische verwachting. Verder wordt nog een onderscheid gemaakt in gebieden met een middelhoge en gebieden met een lage archeologische verwachting. Of er ook daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, moet archeologisch onderzoek uitwijzen maar de verwachtingsgebieden geven al wel aan in welke mate men met mogelijke archeologische resten rekening moet houden.

Volgens de verwachtingskaart heeft het plangebied een lage verwachting. Een lage verwachting wil niet zeggen dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn maar wel dat de kwantiteit aan vindplaatsen naar verwachting laag is. De lage verwachting komt voort uit het feit dat het gebied landschappelijk gezien in een dekzandvlakte ligt. Dit zijn relatief laaggelegen gebieden die over het algemeen nat of drassig zijn en dus niet geschikt voor permanente menselijke bewoning. Naar verwachting worden in het plangebied dus geen resten van bewoning uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen verwacht. Het oorspronkelijke maaiveld ligt onder een pakket ophoogzand van enkele meters dik.

Op de archeologische beleidskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch zijn gebieden met een lage archeologische verwachting aangeduid als gebieden waar geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Een uitzondering hierop vormen m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de tracéwet vallen.

Uitgaande van de lage archeologische verwachting en het vastgestelde archeologische beleid geldt voor de voorgenomen bouwplannen geen verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. In zijn algemeenheid geldt dat, indien tijdens werkzaamheden geïsoleerde, zogenaamde 'losse' archeologische vondsten worden gedaan, men wettelijk verplicht is dergelijke vondsten te melden aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ook de gemeentelijk archeoloog wordt in dit geval op de hoogte gebracht.

4.8.2.2 Cultuurhistorie en historische geografie

Behalve de archeologische en bouwhistorische kenmerken van het plangebied moeten ook de overige cultuurhistorische aspecten zoals historisch geografische elementen in het bestemmingsplan worden betrokken. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft hiertoe voor de hele gemeente een inventarisatie van zichtbare cultuurhistorische elementen/relicten laten uitvoeren . De gemeente is ook voornemens om de cultuurhistorische inventarisatie uit te werken in een cultuurhistorisch beleid. Vooruitlopend hierop is voor het plangebied bekeken welke historisch-geografische elementen van belang zijn (zie afbeelding X).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002366-1201_0021.png"

Afbeelding 20. Uitsnede van de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente 's-Hertogenbosch met in blauw de globale grens van het bestemmingsplangebied: a. bebouwing na 1945, b. infrastructuur voor 1832.

In het plangebied zijn geen waardevolle historisch-geografische elementen of structuren aanwezig. De Graafseweg (b) die ten zuiden van het plangebied loopt, is wel aangemerkt als een structuur die al ouder is dan 1832. Het kerkgebouw (a) is op deze kaart ook aangegeven als een bouwhistorisch element. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen voorziet in het behoud van dit bouwhistorisch element.

Hoofdstuk 5 Juridisch-bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

5.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen het (her)gebruik van het bestaand kerkgebouw binnen het plangebied en het bouwen van twee woningen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten.

De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Omdat het hier gaat om hergebruik van een gemeentelijk monument en inbreiding binnen een bestaand stedelijk gebied is een op maat gemaakt plan noodzakelijk. Daarom is hier gekozen voor een gedetaileerd plan. Eén en ander blijkt ook uit de verbeelding en komt ook tot uitdrukking in de regels.

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding (plankaart). De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Beide onderdelen moeten altijd in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

5.2 Verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemmingen liggen ook een nadere aanduidingen. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden.

5.3 Regels

5.3.1 Algemeen

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken.
  • 2. Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduidingen opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindeomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkingsbevoegdheden aan.
  • 3. Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene aanduidings- bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels.
  • 4. Overgangs en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels te vinden zoals de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel.
5.3.2 Inleidende regels

De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP 2008), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Verordening ruimte van de provincie. In artikel 2 is vastgelegd hoe bij toepassing van de regels er wordt gemeten.

5.3.3 Regels bij bestemmingen

De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels alsvolgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving
  • bouwregels
  • functieaanduidingen (eventueel)
  • nadere eisen (eventueel)
  • afwijken van de bouwregels
  • specifieke gebruiksregels
  • afwijken van de gebruiksregels
  • wijzigingsbevoegdheid (eventueel)

In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Binnen het plangebied zijn twee bestemmingen opgenomen: 'Groen' en 'Wonen'.

Bestemming Groen

Een gedeelte van het plangebied dat nu nog de bestemming 'Verkeer' heeft, wordt groener. Om hier dit recht aan te doen komt op deze gedeelten de bestemming 'Groen' te liggen. Binnen deze bestemming ligt het accent op de groene uitstraling. Eventuele bebouwing binnen deze bestemming is slechts in geringe mate en alleen voor de bestemming 'Groen' slechts toegestaan.

Bestemming 'Wonen'

Juridische toelichting met betrekking tot de in het bestemmingsplan opgenomen woningbouw typologieën

Het bestemmingsplan maakt in de bestemming 'Wonen' onderscheid tussen verschillende woningtypologieën. Hiermee kan sturing worden gegeven aan de ruimtelijke impact van verschillende woningtypologieën op de omgeving. Deze ruimtelijke impact komt tot uiting in de bouwmassa (hoogte en situering), maar ook in het aantal woningen. De woningdichtheid is van invloed op de parkeerbehoefte en daarmee op de parkeerdruk en de leefbaarheid in de omgeving.

Om te voorkomen dat de woningdichtheid voor de omgeving te groot wordt, maakt het bestemmingsplan onderscheid tussen grondgebonden en gestapelde woningen. Grondgebonden woningen zijn rechtstreeks toegankelijk op straatniveau en één van de bouwlagen sluit aan op het maaiveld. Deze zijn onderverdeeld in verschillende typen: vrijstaand, twee-aaneen, geschakeld of aaneengebouwd.

Gestapelde woningen zijn geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning gelegen. Gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan, als dit middels een aanduiding op de verbeelding is aangegeven. Hiermee wordt voorkomen dat grondgebonden woningen kunnen worden verbouwd tot gestapelde woningen.

Juridische toelichting met betrekking tot erfbebouwingsregeling van de bestemming ' Wonen '

Voor het realiseren van erfbebouwing op voor- en zijerven van woningen is een aparte afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan opgenomen. Dit is onder meer gedaan omdat hoekpercelen met de daarop aanwezige hoofdbebouwing zeer (beeld)bepalend kunnen zijn voor de bebouwingskarakteristiek van de aanwezige stedenbouwkundige opzet. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat de percelen overhoekst (van twee zijden) waarneembaar zijn en de bebouwing bijzonder van aard kan zijn. Verder geldt dat vanwege de verkeersveiligheid erfbebouwing op hoekpercelen soms niet wenselijk is.

Ook is een afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan opgenomen om onder voorwaarden voor de voorgevellijn te kunnen bouwen (bijvoorbeeld een erker).

Binnen de bestemming 'Wonen' is een bouwaanduiding 'bijgebouwen (bg)' ingevoegd. Binnen deze aanduiding mogen bijgebouwen voor enkele woningen in het hoofgebouw (de voormalige kerk) voor de voorgevel worden opgericht. Het gebied met deze aanduiding mag geheel worden bebouwd De hoogte maten van de toegestane bebouwing sluiten aan op de maten die in de erfbebouwingsregeling zijn opgenomen.

Aan huis gebonden beroepen en bedrijven

De bestemming 'Wonen' laat niet publieksaantrekkende aan huis gebonden beroepen en bedrijven die niet meldingsplichtig in het kader van het activiteitenbesluit Wet milieubeheer dan wel vergunningsplichtig zijn volgens artikel 2.1 lid 1 sub e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) direct toe. Voorop staat dat de woonfunctie de overheersende functie binnen de bestemming 'Wonen' dient te blijven.

Voor andere aan huis gebonden beroepen en bedrijven is voor de toelaatbaarheid een (milieuhygiënische) afweging noodzakelijk. Daarom is in het bestemmingsplan voor de vestiging van meldingsplichtige aan huis gebonden beroepen en bedrijven een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Uitgangspunt is dat de activiteit het goede woon- en leefklimaat op aanliggende woonpercelen niet aantast.

Ook voor publieksaantrekkende aan huisgebonden beroepen is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Uitgangspunt bij het toelaten van dergelijke activititeiten is dat het de parkeer- en verkeerssituatie ter plaatse niet onevenredig aantast.

Functieaanduiding 'parkeerterrein (p)'

Verder ligt binnen de bestemming 'Wonen' ook de functieaanduiding 'parkeerterrein (p)'. Hier zullen de parkeervoorzieningen voor de woningen in het voormalig kerkgebouw worden aangelegd. Voorheen waren hier ook de parkeerplaatsen voor de bezoekers van de kerk. Binnen deze aanduiding is geen erfbebouwing toegestaan.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Het bouwvoornemen wordt volgens artikel 6.2.1 lid a Bro beschouwd als een bouwplan in het kader van artikel 6.12 lid 1 Wro. Ingevolge dit artikel dient de gemeenteraad voor het voornemen een exploitatieplan vast te stellen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a Bro hiervan afwijken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemeente is in overleg met initiatiefnemer om tot een anterieure overeenkomst te komen. Daarin wordt de toerekening van de kosten, verbonden aan het bouwvoornemen, anderszins geregeld. Het verhaal van kosten van de grondexploitatie is daarmee anderszins geregeld waardoor er geen grondexploitatieplan nodig is.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Inspraak en vooroverleg

Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraak verordening, gelegenheid tot inspraak geboden.

Ook zal in deze fase het overleg ex artikel 3.1.1. Bro met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsvinden.

De resultaten van zowel het vooroverleg als de inspraak zullen in het bestemmingsplan worden verwerkt.

Op basis van het resultaat van het vooroverleg en de inspraakprocedure zal worden overwogen over het in procedure brengen van een ontwerpbestemmingsplan.